Human Rights Defenders

 

Rondrijden in ‘terroristenland’

"Tot mijn zeventigste hield ik vast aan een droom. Toen werd ik wakker en zag de horror van de bezetting.” Ruthie Kedar, oprichter van mensenrechtenorganisatie Yesh Din

 

Ruthie Kedar is Israël. Deze 82-jarige mensenrechtenactiviste verenigt in haar persoonlijke geschiedenis de donkerste en zonnigste kanten van het jonge joodse land. Joods-Palestijns van geboorte, opgegroeid in het Jeruzalem van de jaren twintig en dertig met tennis, ballet, padvinderij en muziek. Maar ook met angst.

 

“Ik herinner me de bloedige rellen van 1936, ik was negen. Een goede huisvriend is toen vermoord door Arabieren. We hadden wel Arabische vrienden, en dan vooral christelijke Palestijnen. Iedereen was Palestijn, wij ook. Israël bestond nog niet. Er was altijd wel spanning in het onbeschrijflijk mooie Jeruzalem van toen.”


Kort na de Tweede Wereldoorlog gaat Ruthie in Londen studeren. “Ik kwam uit een links gezin, deed Midden-Oosten studies aan een befaamd Brits instituut. Maar ik was vooral jong, naïef en absoluut niet politiek bewust,” zegt de vrouw die vandaag, op gezegende leeftijd, onvermoeibaar rondrijdt door bezet Palestijns gebied, die belaagde boeren helpt, die uren in de zon zit voor politiekantoortjes om maar zeker te zijn dat de klacht van gedupeerde Palestijnen niet in de prullenbak verdwijnt, die de confrontatie aangaat met gewelddadige kolonisten en Israëlische militairen die hun boekje te buiten gaan.

 

Na 1948 keert ze terug naar haar nieuwe land, het kersverse, hevig bevochten, door de wereld bejubelde en beschimpte Israël. In het leger ontmoet ze haar man, Paul Kedar, voormalig RAF-piloot en briljant militair die aan de zijde van Ruthie een indrukwekkende staat van dienst opbouwt: medeoprichter van de Israëlische Luchtmacht en later onder meer woordvoerder van de Israeli Defense Forces in Beirut, hooggeplaatste officier bij de Mossad, attaché in Parijs en consul in New York. De Kedars zitten in het epicentrum van de macht. Moshe Dayan en Shimon Peres zijn persoonlijke vrienden. Zonder het te weten leggen de Kedars met het netwerk dat ze in die jaren aanleggen in de hogere kringen van politiek, leger, rechterlijke macht en de academische wereld, het fundament voor het mensenrechtenactivisme waar ze zich aan wagen als ze met pensioen zijn. Ruthie: “Vandaag bel ik probleemloos een minister, procureur-generaal of een legergeneraal als kolonisten weer eens ergens een Palestijnse familie aanvallen, bomen in brand steken of als mensen worden mishandeld bij een checkpoint. Maar toen, vóór mijn pensioen, leefde ik in een andere wereld. Ik bracht vier kinderen groot, verhuisde om de haverklap, de overheidsfuncties en de legercarrière van mijn man bepaalden ons gezinsleven. Tussen de bedrijven door volgde ik een tolkenopleiding en veertien jaar lang was ik fondsenwerver bij het Israel Tennis Centre, een organisatie die de tennissport gebruikt om kansarme Israëlische kinderen gelukkiger te maken.”

 

Discussie aan de eettafel

Begin jaren tachtig komen de eerste barsten in Ruthie’s geloof in de glorie van haar eigen staat. “De oorlog van 1967 had niet zo’n impact op ons politieke denken. De oorlog in Libanon wel. Op een gegeven moment vochten mijn drie zoons en mijn man gelijktijdig in die oorlog. De verhalen waar mijn jongens mee thuiskwamen waren gruwelijk en de kritiek die ze hadden op Sharon nam alleen maar toe. We wisten dat de overheid leugens vertelde over wat zich daar afspeelde. Maar goed, je gaat door met opvoeden, met werken, met leven. Een paar jaar later, tijdens de eerste intifada, sprak mijn jongste thuis over brute invallen bij Palestijnse families, midden in de nacht en over andere zaken waar hij niet langer tegen kon. Weer heftige discussies aan de eettafel, weer twijfel.”

 

In 2001 valt het masker. Aan de vredesopflakkering van begin jaren negentig waar ook de Kedars in geloofden (de gracious years of Israel, de Oslo-toenadering, de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Arafat en Rabin) was alweer jaren eerder, in 1995, een traumatisch einde gekomen met de moord op Rabin. “Pas met het neerslaan van de tweede intifada en de verhalen die we daarover hoorden, gingen onze ogen echt open en beseften we voor het eerst de volle omvang van waar Israël mee bezig was in de bezette Palestijnse Gebieden. Het afsluiten van hele gemeenschappen, de vrijheidsbeperkingen, de onteigeningen… Was dit het werk van de staat zoals die ooit door de Arbeiderspartij en door ons, linkse Israëli’s, was bedacht? Ik kon niet langer niets doen. Twintig jaar heeft het geduurd voordat ik werkelijk wakker werd. Veel te lang.”


Kedar, zelf behorend tot de Israëlische crème de la crème en dan al de zeventig ruim voorbij, doet iets wat maar weinigen uit haar invloedrijke kringen voor mogelijk achten: ze rijdt hoogstpersoonlijk in haar autootje naar de checkpoints en de Palestijnse dorpen in bezet gebied waar de schendingen plaatsvinden. Ze gaat kijken achter de versperringen en wordt mensenrechtenactivist. En ze betaalt er de tol voor.

 

Machsom Watch

“Samen met een klein groepje gepensioneerde vrouwen en grootmoeders zijn we om beurten naar de checkpoints in Kalandya, in Nablus en op andere plekken getrokken. We wilden leger en politie in de gaten houden en flagrante schendingen tegengaan met alle middelen die we hadden. We noemden onszelf Machsom Watch (checkpoint watch). Toen, in 2001, kon dat nog, de hekken en doorgangspoorten waren klein, op soldaten kon je nog afstappen. Vandaag is alles hermetisch afgezet met glas en beton en bovendien doen bedrijven uit de veiligheidsindustrie nu het meeste werk, niet de ordehandhavers van de staat. Wat ik zag was totaal nieuw voor me. Het was de horror van de bezetting. Drommen mensen die grof werden behandeld. Moeders met kinderen die uren en uren in de blakende hitte moesten wachten zonder te mogen drinken. Wij gingen de confrontatie aan met soldaten, eisten dat deze mensen water kregen, dat de snijdende plastic handboeien minder strak werden aangetrokken, dat mensen met de juiste papieren gewoon werden doorgelaten zonder het getreiter, de vernederingen en het lange wachten te moeten ondergaan. We informeerden de media. We wisselden telefoonnummers uit met de Palestijnen die werden mishandeld, we belden ter plekke naar bevelhebbers om soldaten onder druk te zetten, we belden naar dokters als Palestijnen spoedeisende hulp nodig hadden, enzovoort, enzovoort. We waren joods, we spraken Hebreeuws, we hadden hoge connecties en vooral: we waren vrouwen, moeders, grootmoeders. We hadden wat mannen meestal onvoldoende hebben: geduld, tact, medeleven. Onze aanwezigheid was totaal nieuw voor de soldaten en had een matigende en deëscalerende werking. Voor ons kwam het gevaar niet zozeer van de soldaten maar van de kolonisten. Regelmatig zijn we door hen aangevallen en uitgejouwd. Eén keer bij Chawara checkpoint hebben settlers mijn telefoon weggegrist. Ze begonnen te slaan en te trappen. De politie heeft mij toen een boete gegeven en een verbod opgelegd om nog in de buurt te komen van Chawara. Dat lapten we natuurlijk aan onze laars. Een andere keer reed ik op één van de vele apartheidswegen in de Westbank, wegen naar joodse nederzettingen die verboden zijn voor Palestijnen. Kolonisten hadden een Palestijnse taxichauffeur in de val gelokt en tot staan gebracht en ze bedreigden hem. Ik ben toen uitgestapt, heb hem mijn telefoonnummer gegeven en op het hart gedrukt om mishandelingen en gewelddadigheden bij mij te melden. Toen moesten de kolonisten mij hebben. Ze omsingelden me, blokkeerden een tijd lang de weg en bedreigden me. Uiteindelijk kon ik weg rijden. Dat zijn zeer beangstigende en intimiderende momenten.”

 

“Zo werkten wij toen en zo werken we nog steeds. Een maand geleden kwamen we terug van het politiestation bij Ramallah om een klacht in te dienen tegen kolonisten die bomen hadden verwoest. Nadat we Palestijnse boeren in hun dorpen hadden afgezet, hielden Israëlische militairen ons staande. Ze moesten Amir hebben, onze Palestijnse veldwerker, ze claimden dat hij geen rijbewijs had. Nonsens, maar we moesten uren wachten. Ik heb gebeld naar onze advocaat die contact opnam met de lokale legerbevelhebber. Uiteindelijk mochten we doorrijden, maar als wij er niet waren geweest, was het anders met Amir afgelopen. En ik ben zeker dat we tijdens onze hele trip met die Palestijnse boeren zijn gevolgd en gefotografeerd vanuit de militaire uitkijktorens die hier overal staan.”

 

Ruthie wil meer doen dan met andere grootmoeders incidentele schendingen aankaarten en tegengaan. Machsom Watch is niet genoeg. Ze wil het systeem veranderen dat deze schendingen mogelijk maakt. “Wat er bij de checkpoints gebeurt, was niets vergeleken bij wat we in de Palestijnse dorpen op de Westbank zagen: eenheden van het leger en de grenspolitie verwoestten er boomgaarden, landbouwgronden en woningen, verdreven boerenfamilies van hun land, verboden burgers om zich te verplaatsen, sloten hele gemeenschappen en dorpen af. Dat gebeurt nog elke dag. Ik wist dat we militanter moesten worden, dat we het Israëlische systeem moesten veranderen en dat kan alleen maar door daders van mensenrechtenschendingen voor het gerecht te dagen en te vervolgen. Om dat te doen hebben mijn man en ik in 2005 Yesh Din opgericht.”

 

Yesh Din

De mensenrechtenactivisten van Yesh Din (‘er is wetgeving’ in het Hebreeuws), allen vrijwilligers, zijn opgeleid om schendingen zo eerlijk, veilig en objectief als mogelijk te registreren en om wettelijk bruikbare getuigenissen af te nemen. Deze vrijwilligers werken nauw samen met een team mensenrechtenprofessionals, advocaten en mediadeskundigen. Vandaag staat Yesh Din, een organisatie van ruim dertig medewerkers, bekend om haar accurate en uitgebreide databank van mensenrechtenschendingen in de Bezette Gebieden, om de rapporten die zij uitbrengt over de systematische schending van de rechten op een eerlijk proces in Israëlische militaire rechtbanken en de onderzoeken naar kolonistengeweld en strafbare feiten van het Israëlische leger in de Bezette Gebieden. Vrijwilligers van Yesh Din zien persoonlijk toe op de rechtshandhaving in bezet gebied, gaan zelf naar het Hooggerechtshof om draconische militaire maatregelen ongedaan te maken, begeleiden Palestijnen om klachten in te dienen tegen de Israëlische politie en het leger en om desnoods rechtzaken aan te spannen en compensatie te eisen voor eigendomsverlies of ander leed.

 

Na vijf jaar Yesh Din maakt Ruthie voorzichtig de balans op: “Onze grootste prestatie is dat wij, joodse Israëli’s, het vertrouwen hebben gewonnen van de dorpsbewoners in de Palestijnse Gebieden. We mogen hun huizen betreden, ze vertellen ons hun verhalen, ze nemen ons in vertrouwen. Dat is in grote mate te danken aan onze uitstekende Arabische veldwerker. En we merken dat leger, politie en civiele administratie zich minder vijandig zijn gaan opstellen jegens ons. Dat helpt ons werk en biedt ook Palestijnen een zekere bescherming. Maar helaas, zodra we onze rug keren staan Palestijnse boeren nog steeds even machteloos. Een andere belangrijke verdienste is dat we met onze vastberadenheid en onze veldbezoeken boeren aansporen om voor hun land te blijven vechten. Kolonisten vallen voortdurend Palestijnse dorpen aan, met honden, met wapens, alleen maar om inwoners en boeren weg te jagen. Als dat lukt, ligt het boerenland braak en staat het kolonisten wettelijk vrij om het land te omheinen en in te pikken. Als het niet lukt om dat te voorkomen kunnen we met deze settlers nog een juridische strijd aangaan. Momenteel heeft Yesh Din vijftien landrechtenzaken lopen bij het Hooggerechtshof. Je moet steeds blijven doorzetten en geloven in wat je doet. Dat is niet gemakkelijk als je weet dat maar 10% van de gevallen van kolonistengeweld die we berecht zouden willen zien daadwerkelijk de rechtbank haalt. En maar in 4% van die gevallen worden geweldplegers vervolgd. Dat zegt veel over ons militaire rechtssysteem. Wij zien hoe straffeloosheid werkt in de praktijk. Meermaals heb ik kolonisten olijfbomen van Palestijnse boeren in brand zien steken. Als we dan de politie waarschuwen pakt die ons aan, deelt ons boetes uit of stuurt ons sussend weg. De daders gaan vrijuit. Conflict avoidance noemen ze dat dan. Ook het leger pikt voortdurend land in, zogenaamd om militaire veiligheidsredenen zoals de aanleg van de muur of het versperren van militair gebied. Als wij het IDF voor de rechtbank willen dagen, dan hebben we nog minder kans van slagen dan met kolonisten het geval is. Toch blijven we doorgaan. Uiteindelijk is de hele Israëlische bezettingspolitiek niets meer of minder dan georganiseerde landroof. De muur is ooit bedoeld door Sharon om diep in Palestijns gebied, achter de Groene Lijn, de Israëlische landsgrenzen vast te leggen en om de Palestijnse samenleving te verkruimelen. Wat Netanyahu vandaag toont aan goede wil, een schooltje voor Palestijnen hier een waterbron daar, is hooguit een aspirine die bedoeld is om de bezetting te camoufleren en om de VS te sussen. Stop de bezetting, ontmantel alle nederzettingen, geef Palestijnen hun land, respecteer hun rechten, respecteer de Groene Lijn, daar komt het wat mij betreft op neer. En dat is ook waar de EU en de VS Israël toe moeten verplichten.”

 

Terrorist lover

Ruthie Kedar betaalt een prijs voor het mensenrechtenwerk dat ze doet. Niet alleen in bezet gebied, op plaatsen waar kolonisten het voor het zeggen hebben, ook in Israël zelf en zelfs in haar eigen kennissenkring. Net als andere kritische Israëlische mensenrechtenorganisaties als B’Tselem of Adalah en Ittijah wordt ook Yesh Din publiekelijk door het slijk gehaald, onder andere door NGO Monitor, de organisatie in Israël die maatschappelijke organisaties wereldwijd screent op kritiek op Israël. Bestuursleden en medewerkers van Yesh Din komen uit het hart van en zijn vaak zelfs de élite van de Israëlische samenleving. Het laatste wat zij bestrijden is Israël. Waar ze zich tegen verzetten is het niet naleven en niet toepassen van de wet en het schenden van internationaal recht. Ruthie: “Voortdurend duwen media ons in extreem linkse hoek en worden we neergezet als self hating jews, als verraders, als Palestine lovers of terrorist lovers, als infiltranten en collaborateurs. Zelfs mijn eigen kennissen en vrienden, die in hun leven meestal niet één Palestijn persoonlijk hebben gesproken, keuren af wat ik doe, vinden het gevaarlijk, want ‘Arabieren zijn terroristen en de Westbank is terroristenland’.

 

Die publieke opinie wordt flink aangewakkerd door de extreem rechtse regering die we nu hebben, met types als Liebermann. Er lijkt geen maat te staan op de extreme anti-Palestijnse houding die ze innemen en de haat die ze verkondigen druppelt door in het denken van elke Israëlische burger. Nagenoeg niemand in Israël ontkomt aan deze propaganda die Palestijnen gelijkstelt aan de ultieme vijand. Joodse Israëli’s hebben een fysieke walging en een diepgewortelde angst om met Palestijnen in contact te treden. Alleen al door naar Palestijnse dorpen te gaan, met Palestijnse families te praten in hun eigen huis en met Palestijnse burgemeesters te vergaderen, gaat Yesh Din in tegen die stroom en bestrijden we de haat.”

 

Het goede leven

Ruthie neemt ons mee naar Ibrahim Alaam, een boer in Kufr Thult, een dorp in het noorden van de Westbank. 28 jaar lang was hij arbeider in een Israëlische ijzerfabriek bij Tel Aviv. Dat was in een tijd toen Palestijnen nog mochten reizen. Net als zoveel dorpen in de buurt van de stad Qalqilya is Kufr Thult gedeeltelijk afgesloten door een metershoge betonnen muur en zijn er plannen voor verdere afsluiting aan de westkant. Onderweg wijst Ruthie naar stukken muur die volgens rechterlijke vonnissen hadden moeten worden afgebroken of verlegd. Nooit gebeurd. Ze vertelt over de duizenden dunums prachtig gelegen en vruchtbaar land van Alfe Menashe (‘het goede leven’ in het Hebreeuws), de nederzetting die zonder enige vorm van compensatie is gebouwd op privé-eigendom van Palestijnse boeren. Ze wijst op de vele mooi geasfalteerde wegen in het glooiende Palestijnse land. Zelf noemt ze dit ‘apartheidswegen’, omdat alleen Israëlische voertuigen erover mogen rijden. Probleemloos zoeft Ruthie met haar Israëlische nummerplaat over zo’n weg. Ruthie: “Elke verkeersweg hier kan van de ene dag op de andere veranderen in een apartheidsweg, als de Israëlische bevelhebber dat nodig acht.”


Wat betekent dat voor Palestijnse gezinnen? Weg toegang, weg uitgang, weg markt. En weer zoeken naar nieuwe omwegen die hopelijk voeren naar het akkertje, naar de olijfgaard, naar een ziekenhuis, naar school, naar huis.

 

Als een rallycoureur rijdt Ruthie met ons over hobbelige veldwegen. Dan stappen we uit en toont Ibrahim ons zijn stukje land. Jaren terug legden kolonisten een weg aan naar Elmatan, een kleine buitenpost van tien huizen, dwars door Ibrahims akkers. Ibrahim: “In 2004 zag ik plots dat het leger mijn land afpaalde. Met tractoren sleurden ze honderden olijfbomen uit mijn velden. Een harteloze daad, zeker als je weet hoe belangrijk olijfbomen zijn voor een Palestijn. Kolonisten hebben zelfs mijn enige waterreservoir vergiftigd met een wit goedje. Water is leven. Zonder water sterven mijn dieren. Yesh Din laat nu laboratoriumonderzoek doen op gifsporen. En de boer die land heeft naast het mijne sloegen ze op zijn kop met een steen. Hij moest naar het ziekenhuis. Hij was toen 73, een oude grijsaard. Een beetje later legden ze een waterleiding aan over mijn veld, van de moedernederzetting naar Elmatan. En op een dag lag er ineens een dikke elektriciteitskabel. Levensgevaarlijk tijdens het ploegen en rondrijden met tractoren. En dat allemaal zonder toestemming te vragen, niet aan ons, niet aan de civiele Israëlische administratie of aan de elektriciteitsmaatschappij, Yesh Din heeft dat toen allemaal uitgezocht. Bovendien, hadden mijn kinderen of ik per ongeluk de kabel beschadigd, dan had ik de rekening mogen betalen. Een keer kwamen er vlammen uit die kabels. Ik heb ze toen geblust, waarna de kolonisten mij beschuldigden van vandalisme. Meermaals hebben kolonisten ons aangevallen met woeste honden als we ze vroegen om ons land te verlaten.”

 

Samen met Yesh Din spant Ibrahim een zaak aan bij het Hooggerechtshof. De rechter vonnist dat de weg en de kabels over Ibrahims land moesten verdwijnen. Ibrahim: “Ik had al eerder geprobeerd om een zaak aan te spannen maar telkens gooide de politie al mijn bewijsmateriaal en andere dossierstukken in de prullenbak. Met Yesh Din is het wel gelukt.” Een succes dus, maar geen victorie. Uiteindelijk wordt de kolonistenfamilies niets in de weg gelegd om Elmatan volgens de beproefde succesformule van ‘het goede leven’ verder uit te bouwen. Hun geasfalteerde weg, de kabels en de waterleiding lopen nu ietsjes achter het veld van Ibrahim door naar de huizen van Elmatan.

 

We staan in Ibrahims veld. Plots, zo’n driehonderd meter verderop, komen een paar kolonisten van Elmatan uit hun huis aangelopen. Ze wijzen naar ons, overleggen en beginnen te bellen. “Laten we maar omkeren” zegt Ibrahim. Een minuut later duiken er twee kleine gepantserde militaire voertuigen op tussen de olijfbomen. Ze blokkeren Ruthie’s auto en ondervragen haar. Ibrahim blijft bij ons staan op veilige afstand. Hij is bang en zwijgt. “Geen foto’s nemen”, fluistert hij ons toe. Na minutenlang onderhandelen met de militairen wenkt Ruthie ons. We stappen in en rijden weg, nagestaard door twee zwaar bewapende zonnebrillen. Achteraf blijkt dat Ibrahim zijn identificatiepapieren niet op zak heeft. Ruthie: “Ze vroegen me wat ik hier deed, wie Ibrahim was. Ze zeiden dat het verboden was om met een Arabier in een auto te zitten. Zonder mij was Ibrahim meegnomen naar het politiebureau en had ‘ie er uren moeten doorbrengen. Elke kolonist heeft een directe verbinding met een legerofficier. Natuurlijk hebben die van Elmatan deze militairen op ons afgestuurd.”

 

Welkom

Als we later afscheid nemen van Ibrahim en terugrijden naar Ramat Hasharon, de voorstad van Tel Aviv waar Ruthie en haar man wonen, moeten we kort halt houden bij de grensovergang voor Israëli’s. Een groot Hebreeuws bord markeert de entree naar Israël. Ruthie vertaalt: “’Doorgang voorbehouden aan Israeli’s, Israëlische ingezetenen van de gebieden (de kolonisten) en aan iedereen die in aanmerking komt voor toelating volgens de Wet op de Terugkeer.’ Dat staat er. De Wet op de Terugkeer is de ruggengraat van Israël. Die geeft elke jood wereldwijd automatisch burger- en verblijfsrechten in Israël. Maar in de praktijk pakt het anders uit. Er zijn minstens driehonderdduizend Russen op basis van die wet het land ingekomen, die helemaal niet joods zijn.”


Ibrahim heeft bijna dertig jaar in Tel Aviv als arbeider gezwoegd. Hij komt niet voorbij dit bord, staat onder scherp militair toezicht in eigen land en wordt aangevallen door joodse kolonisten die onder militair toezicht Palestijns land inpikken. Als we de grens passeren knikken weer andere gewapende zonnebrillen ons verwelkomend toe.

 

Thuis, bij de thee, verzucht Ruthie dat ze moe is. “De toekomst zie ik somber in. Het extremisme aan Israëlische en aan Palestijnse kant neemt alleen maar toe. Mijn kinderen zeuren me aan mijn kop dat ik moet stoppen met mijn activisme in de Westbank. Ze willen alleen maar praten over kunst, cultuur, over de beste restaurants, over hun studies of vakantie. Ik weet niet hoelang ik het nog volhoud. Mijn man zegt ‘had Israël maar een grondwet, dan zaten we nu niet met een dictatuur van de meerderheid’. Ik zeg, die bezetting moet eindelijk ophouden. En wij Israëli’s hebben pas een toekomst als we het verleden erkennen, ook het verleden van de Palestijnen. We moeten erkennen wat we met onze onafhankelijkheidsoorlog hebben aangericht aan Palestijnse kant, de 700.000 burgers die zijn verdreven, de honderden dorpen die zijn verdwenen, dat wat de Palestijnen de Nakba noemen, de Ramp. Onafhankelijkheidsdag en Nakba-dag moeten samengaan, de viering moet samengaan met de herdenking, alleen dan kunnen we vooruit kijken en bouwen aan een toekomst. Nakba-herdenkingen kun je niet verbieden zoals nu gebeurt, of afdoen als iets onredelijks van radicale Palestijnen. Hun ramp is een deel van onze geschiedenis.”

 

We nemen afscheid van Ruthie en haar man. Ze staan in de tuin van hun mooie huis in Ramat Hasharon en wensen ons het beste. Hun hond bewaakt kwispelend zijn baasjes. Deze mensen zijn Israël, hebben dit land mee opgebouwd en zijn er op een dag van geschrokken. Hun liefde voor het land is onverminderd groot. Maar hun gevoel voor rechtvaardigheid heeft hen geleerd dat de bezetting en het onrecht dat ermee gepaard gaat, het land alleen maar kleiner maken. Ruthie staat zwaaiend in de zachte namiddagzon. De volle glimlach op haar mooie oude gezicht moet identiek zijn aan die van het joods Palestijnse meisje dat ooit rondhuppelde in dat ‘onbeschrijflijk mooie’ Jeruzalem van de jaren twintig en dertig.