Human Rights Defenders

 

‘Ik ben een jonge arts. Hier blijven is mijn daad van verzet en van hoop.’

Een dag op stap met een mobiel medisch team van PMRS

 

In Salfit heeft de Palestinian Medical Relief Society (PMRS) één kantoortje en een mobiel team: twee dokters, twee verpleegsters, een maatschappelijk werker en een chauffeur. Samen met Shatha, maatschappelijk werker en Rami, de chauffeur, ga ik op ronde langs de dorpen Kifl Harith, Harith en Mas’ha. Het is rustig die dag. Waar betonblokken de weg blokkeren, rijden we om.

 

In het hart van de Westbank ligt Salfit, een district van negentien Palestijnse dorpen omringd door eenentwintig illegale Israëlische nederzettingen. De grootste van die nederzettingen is Ariel, met bijna 20.000 bewoners en een eigen universiteit. Ariel, dat in 1998 Israëlische stadsrechten kreeg, is volledig ommuurd en verboden voor Palestijnen.


Tussen de Israëlische welvaartsvestingen, militair bewaakt en vlot verbonden met Israël via Israeli only roads, liggen Palestijnse dorpen. Afgesneden van handelscentra en van landbouwgrond, van degelijke water- en elektriciteitsvoorzieningen, en als het Israëlische leger het nodig acht, ook van elkaar. 35% werkloosheid, leegstaande fabriekjes, belabberde wegen, bouwvallige woningen en bij elk dorp hoge Israëlische militaire uitkijkposten die als betonnen sigaretten uit de grond steken, dat is Salfit. En terwijl wanhopige Palestijnse gemeenteraden tevergeefs dorps- of stadsuitbreidingen aanvragen bij Israëlische autoriteiten, groeien de nederzettingen en floreert de nederzettingeneconomie. Internationale banken en verzekeraars, wapenfabrikanten en veiligheidsexperts, aannemers, supermarkten, makelaars, kennisinstituten en consultants, stuk voor stuk groeien ze mee met de groei van de illegale nederzettingen. Ongemoeid en ongestraft.

 

Woensdagochtend

Maatschappelijk werker Shatha coördineert bejaarden- en jongerenopvang in zeven dorpen. De sociale nood is hoog, niet alleen door armoede en gebrek aan werkgelegenheid. Het komt geregeld voor dat hele families uit hun huizen worden gezet of dat hun huizen worden afgebroken. Shatha: “Hier in de dorpen vinden mensen soms nog een tijdelijk onderkomen bij vrienden of familie. In steden als Nablus of Ramallah is huisafbraak een nog grotere ramp; huizen zijn er duurder en sociale vangnetten minder groot. Mensen zijn vaak alles kwijt en wij proberen hen te steunen waar we kunnen. Met psychosociale hulp, met consultaties, ziekenhuisverwijzingen en medicijnen. Geneesmiddelen verstrekken we standaard voor drie shekel, ook de dure. En wie zelfs dat niet kan betalen krijgt ze gratis.”

 

In het dorp Harith gaan Shatha en chauffeur Rami langs bij een familie van wie een paar dagen eerder de woning is afgebroken. Uit de puin steekt een slapjes wapperende Palestijnse vlag. De familie van het huis, vader, moeder en zeven kinderen tussen vijf en twaalf jaar, zit tijdelijk elders in het dorp. Ondergedoken in een schuur, meent Shatha. Maar als we later aankloppen geeft niemand thuis. Shatha: “Het is moeilijk werken met mensen die door geweld moeten vluchten. Soms verdwijnen ze een tijdje, dan duiken ze weer ergens op.” Een broer van de eigenaar vertelt: “Mijn broer zou deze week intrekken in zijn huis. Maar afgelopen woensdagochtend om acht uur kwamen ze het dorp in, politiemensen, militairen en twee bulldozers. Ze hadden de weg naar het dorp en ook onze straat afgezet. De meeste mensen van het dorp waren al weg, naar werk, naar school. Ik heb nog geprobeerd om de soldaten tegen te houden, maar wat kan je doen? Ze sloegen me weg en in minder dan een half uur hebben ze het huis met de grond gelijk gemaakt.” Tussen het puin zien we kinderspullen, een schrift, een schoen. Over de brokken heen, op een heuvel in de verte, schitteren de rode daken van een Israëlische nederzetting.


Een neefje van de eigenaar heeft de afbraak die woensdagochtend stiekem met een mobieltje gefilmd. “Als ze erachter komen stormen ze op je af en slaan ze je camera stuk. Of je krijgt een boete. Ik was best bang.”

 

Het is met deze huisafbraak gegaan zoals met de tienduizenden Palestijnse woningen die eerder zijn afgebroken. Met de moed der wanhoop doen arme eigenaren een geldverslindende en dikwijls maanden- en soms jarenlange poging om hun gelijk te halen bij rechterlijke en bestuurlijke machten.

 

Om in het uur van de afbraak, meestal vroeg in de ochtend of ’s nachts, machteloos en verbijsterd te kijken naar hoe hun huis verdwijnt. Kosten voor de afbraak en militaire beveiliging worden verhaald op de eigenaars, en zelfs over hun eigen puin mogen ze niet beschikken, dit moet blijven liggen als afschrikmiddel. En waarom? In Harith moeten alle huizen jonger dan tien jaar die te dicht liggen bij de één jaar geleden voor Israëlische kolonisten aangelegde weg naar Tel Aviv worden afgebroken. Zo luidt een militair bevelschrift, en middelen van beroep zijn er zo goed als niet. “Zelfs de familienaam op het bevel tot afbraak klopte van geen kanten. We hebben duizenden shekel betaald om de zaak aan te vechten bij de rechter”, zegt de schoonbroer. Er staan nog twintig huizen op de lijst. Twintig families zullen alle psychosociale en medische begeleiding van PMRS goed kunnen gebruiken, hoe beperkt die ook is.

 

In Kifl Harith, een naburig dorp, gaan Shatha en Rami langs bij andere families. In het hart van het dorp staat een eeuwenoude moslimtombe. Rami laat me de geschonden graven zien. De tombe zelf is van binnen en buiten beklad met Hebreeuwse leuzen en davidsterren. Rami: “Orthodoxe joden eisen het recht op om te bidden in oude heiligdommen. Ze komen een paar keer per maand. De laatste keer was twee weken terug, laat in de avond. Eerst komt de militaire politie met voertuigen en honderden troepen. Ze omsingelen het hele dorp en kondigen tijdelijk de noodtoestand af, zonder enige aanleiding. Niemand mag zijn huis uit. Dan komen de joden, soms gewapend met machinegeweren. Ze gaan bidden, soms een uur, soms uren, en dan trekt de hele stoet weer weg. Bewoners die zich verzetten tegen deze belegering, door te roepen of in de weg te staan, worden gearresteerd en verdwijnen in de gevangenis. Het zijn geen gewapende strijders, maar geschokte bewoners die hun verdriet of hun woede uitroepen. Momenteel zitten tien dorpelingen van Kifl Harith in de bak. Als gevangenen terugkomen, na weken of soms na jaren, dan hebben ze begeleiding nodig. En ook hun families kunnen alle opvang gebruiken.”

 

In Mas’ha bezoeken we een medisch centrum waar PMRS samenwerkt met gezondheidswerkers van het Palestijnse Ministerie van Volksgezondheid. We spreken er met dokter Naji en dokter Hisham. Dokter Hisham werkt al meer dan twintig jaar als arts in deze streek. Begin jaren negentig, in de laatste fase van de eerste intifadah, heeft hij acht maanden als arts vastgezeten in een Israëlische gevangenis in de Negev woestijn. “We werken als gekken, maar we dweilen met de kraan open. Het meest behandelen we aandoeningen van longen en luchtwegen, urine-infecties, amandelen, bronchitis en chronische hartproblemen, hypertensie en diabetes. Van de tien verzoeken om medische hulp, kunnen we er één beantwoorden. Als we aankomen in de dorpen gaan patiënten tegen ons tekeer omdat we ze dagen hebben laten wachten. De medische gevolgen van de bezetting zijn chronisch, en hebben te maken met depressie, slechte voeding, slechte huisvesting, en ze zijn acuut, moeders die moeten bevallen bij een checkpoint, hartaanvallen tijdens de lange uren wachten, mensen die doodbloeden omdat ze geraakt zijn door kogels. Een paar jaar terug heb ik bij Nablus een vrouw helpen bevallen bij een wegversperring. Pas toen de baby er was gaven de soldaten toe dat die vrouw hoogzwanger was.”

 

Antidepressiva? Hebben we niet

De veel jongere dokter Naji: “Er is bijna geen familie die niet iemand in de gevangenis heeft zitten. Rami hier heeft drie familieleden in de gevangenis, Shatha één en van mijn familie zit er iemand een straf uit van 25 jaar. Laatst is er een oude man vrijgelaten die in 1948 is opgepakt. Nagenoeg elk Palestijns gezin draagt de last van onrechtmatige detentie. Dat betekent nog grotere armoede en onzekerheid. Moeders die afhankelijk waren van het inkomen van hun man, kunnen hun kinderen niet voeden. Mensen eten hier één keer in de maand vlees. Grote gezinnen moeten rondkomen van minder dan tachtig euro per maand. Patiënten die er mentaal door zitten kunnen we geen antidepressiva voorschrijven. Die hebben we niet. Dus wat doen we? We praten, we luisteren. Wat doet dat met mij? Het maakt me ziek en depressief mijn volk zo te zien wegkwijnen. Wij zijn mensen, we hebben recht op een menswaardig bestaan. Noodtoestanden, blokkades, huisafbraken, landroof, gevangenisstraffen, marteling, dat zijn de ingrediënten van ons bestaan. Wij zijn burgers, niemand hier loopt rond met een wapen, iedereen doet maar één ding: de bezetting overleven. Drie maanden geleden staken kolonisten een moskee in de fik, ’s nachts, in het dorp Yassouf. Er waren gewonden. De volgende dag wilden we erheen. Afgezet door militairen natuurlijk. We mochten er niet door. Wij zijn medici, geen terroristen! Wat moet ik doen? Ik ben een jonge arts, ik heb gestudeerd in Egypte, ik zou in Europa kunnen werken. Maar dit is de plek waar ik moet zijn. Hier blijven is mijn daad van verzet en van hoop.”

 

Precies in de week dat we met PMRS optrekken, worden de arrestatie- en uitzettingsbevoegdheden van het Israëlische leger (IDF) in de Westbank aanzienlijk uitgebreid. Israël amendeert de militaire richtlijn ‘voor preventie van infiltratie’, één van de duizenden militaire richtlijnen die van toepassing zijn op de bezette Palestijnse Gebieden. Met die wijziging kan het IDF elke Gazaan die zich in de loop der jaren door nood, liefde of werk in de Westbank heeft gevestigd arresteren, voor zeven jaar opsluiten of binnen 72 uur uitzetten. Terwijl de Oslo akkoorden bepalen dat de Westbank en Gaza één Palestijnse entiteit vormen. Hetzelfde geldt voor elke Palestijn of vreemdeling die uit het buitenland in de Westbank is verzeild geraakt. Veel van de inwoners kunnen op geen enkele wijze voldoen aan het kluwen van dikwijls tegenstrijdige militaire bevelen, ondoorzichtige bestuurlijke en rechterlijke procedures en onbetaalbare dwangsommen die een voor Israël geldige verblijfsvergunning zouden kunnen opleveren. Elk van hen kan het IDF behandelen als ‘infiltrant’. In tegenstelling tot de Palestijnse bevolking, vallen de vijfhonderdduizend joodse kolonisten niet onder militair bestuur. Wie verblijft in de internationaal rechtelijk als illegaal verklaarde nederzettingen wordt militair beschermd. Wie wil blijven wonen in zijn geboortehuis wordt illegaal, riskeert boetes of gevangenschap.

 

Vier hekken, één gezin

Iets buiten Mas’ha gaat het PMRS team langs bij een gezin dat leeft in ronduit barre omstandigheden. Letterlijk in de schaduw van de Al Qana nederzetting woont Hani Amer met zijn gezin. Zijn woning ligt tussen het hek van de nederzetting en de muur die tien jaar terug is gebouwd om Mas’ha af te sluiten. Een kleine strook militair no man’s land. Als de artsen van PMRS zich van de toestand van Hani’s familie op de hoogte willen stellen moeten ze langs welgeteld vier zware omheiningen. Minstens één ervan staat onder hoogspanning. Van één hekpoort heeft Hani de sleutel. Soldaten van de militaire post naast het huis gaan over de andere hekken. Openingstijden: drie uur per dag. Hani had ooit een goed lopende bloemenzaak en landbouwgrond. Vandaag resteren hem wat olijfbomen in een veld een paar honderd meter verderop. Door hekken, muren en omleidingen doet hij er vandaag anderhalf uur over met de auto. Kosten van de taxirit: een paar honderd shekel. Kosten van de vergunning die moet worden aangevraagd: vijfhonderd shekel. De hulpgoederen en de bezoekjes uit het dorp, alles passeert langs de vier hekken. Als ze open gaan. Hani: “Ineens op een dag begonnen ze met de bouw van die muur. Zonder waarschuwing werd mijn gezin in een kooi gezet. Ik mocht verhuizen, maar dat weigerde ik. Het eerste jaar na onze insluiting mocht niemand ons bezoeken. Elke dag kregen we vijftien minuten om in het dorp wat boodschappen te doen. Vandaag bepaalt het leger nog steeds wie ik als gast mag toelaten. Het gebeurt geregeld dat soldaten mijn gasten, Palestijnen of buitenlandse mensenrechtenverdedigers, uit mijn huis gooien. ” Delegatieleden van de EU, mensen van Amnesty International en Human Rights Watch, ze kennen Hani Amer. Die bekendheid helpt, maar kan zich ook tegen hem keren. Hani: “Als ze weigeren de poort te openen, bel ik de VN of Amnesty. Soms helpt het, meestal niet. Maar na het bezoek van buitenlanders komen soldaten altijd langs om me flink te treiteren. Of ze houden de hekken de volgende dag langer dicht. Een keer stapte een Europese gast van mij af op het hek waar een groepje kolonisten stenen naar me gooide toen ik in mijn achtertuin aan het werken was. ‘Waarom gooien jullie stenen naar die man?’ vroeg hij. ‘Man? Welke man?’, vroegen ze. Dat wezen daar is niets.”

 

Als we Hani’s huis verlaten zien we een van zijn dochters. Ze komt van school en wacht geduldig terwijl haar vader het laatste slot open morrelt. “Hani Amer heeft geluk”, zegt dokter Naji als we weggaan. “Hij heeft een sterk hart en een sterke geest. Niemand overleeft een hartaanval achter vier hekken.” Terwijl het medisch personeel zich langs de hekken wurmt houden militairen in torens hen met kijkers in de gaten. Of een volgend bezoek er in zit, is maar de vraag.