Human Rights Defenders

 

Van dorp naar kamp. Zestig jaar op de vlucht

Het verhaal van Nidal Al Azza, vluchteling, advocaat en rechtshulpverlener bij de Palestijnse vluchtelingenorganisatie Badil

 

 

 

Eén van de zeven miljoen Palestijnse ontheemden en vluchtelingen is Nidal Al Azza, veertiger, advocaat, mensenrechtenverdediger en vader van vier kinderen. Hij is medeoprichter van het Lajee Center, een jongerencentrum in het Aida vluchtelingenkamp, en rechtshulpcoördinator bij Badil. Hij schrijft ook poëzie en theater. Zes keer is hij gevangen gezet, de eerste keer toen hij veertien was.

 

In april 1948 zetten zionistische paramilitairen met het Plan Dalet de eindfase in van de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog. Dat plan begon met het bloedbad in Deir Yassin, een klein Palestijns dorp in de door de Verenigde Naties aangewezen internationale zone van Jeruzalem. Schattingen van het aantal burgers dat in de bestorming om het leven kwam, schommelen tussen de honderd en de tweehonderdvijftig. De Palestijnse vluchtelingenstroom, die al eerder door krijgsgeweld op gang was gekomen, neemt na Deir Yassin snel in omvang toe. 750.000 mensen slaan tussen 1947 en 1949 op de vlucht, niet wetend dat ze hun dorp, hun huis, hun spullen en hun grond voorgoed kwijt zijn. Hun huizen worden ruïnes, hun tuinen, graaslanden en landbouwgronden Israëlische parken, industriezones en nederzettingen. In het huidige Israël liggen ruim vijfhonderd ontvolkte Palestijnse dorpen en stadjes in diverse stadia van verdwijning.

 

De Palestijnse exodus stopt niet na 1949. De oorlog van 1967, de militaire bezetting van de Palestijnse Gebieden, de oorlogen in Libanon, de bouw van de scheidingsmuur, grond- en luchtinvasies tegen Gaza en tegen steden op de Westelijke Jordaanoever, elke Israëlische interventie gaat gepaard met massale onteigening en ontheemding van families en gemeenschappen. Veel gezinnen die na 1948 zijn gevlucht naar Oost-Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever of Gaza, moeten in de daaropvolgende decennia uit lijfsbehoud nogmaals hun biezen pakken. Generaties Palestijnen groeien op en gaan dood in vluchtelingenkampen, al dan niet van het UN Relief and Works Agency (UNRWA), al dan niet geregistreerd als vluchteling.


Eind 2009 schatte UNRWA het aantal geregistreerde Palestijnse vluchtelingen in de Bezette Gebieden, Jordanië, Syrië en Libanon op ruim 4,7 miljoen8. Badil, een onafhankelijke Palestijnse organisatie die de vluchtelingen- en verblijfsrechten van ontheemde Palestijnen verdedigt, komt op 6,6 miljoen vluchtelingen wereldwijd en 427.000 intern ontheemden in de Bezette Gebieden9. Dat betekent dat 67% van de Palestijnse bevolking vluchteling is. Het is een grimmige constatering, maar de instroom van joodse burgers in Israël, geregeld via de joodse Wet op de Terugkeer, is ongeveer even groot als de gedwongen uitstroom van Palestijnen, bezegeld door de weigering van Israël om het recht op terugkeer voor Palestijnen te erkennen.

 

Resolutie 194

Als het gaat om vrede en duurzame oplossingen heeft Nidal Al Azza, advocaat en medeoprichter van het Lajee Center; een jongerencentrum in het Aida vluchtelingenkamp, uitgesproken opvattingen. “Zolang vredesprocessen louter politieke belangen dienen komt er nooit een oplossing. Al sinds de top in Madrid in 1991 hebben die onderhandelingen maar één doel, namelijk onderhandelen. Vrede heeft maar één basis en dat is het internationale recht dat de fundamentele rechten en vrijheden van burgers wereldwijd moet waarborgen. Wie die rechten schendt moet terecht staan en wie slachtoffer is van schendingen heeft recht op rechtvaardigheid en op herstel. Al onze vluchtelingenrechten, zoals het recht op terugkeer, compensatie en teruggave, zijn verankerd in de belangrijkste pijlers van het internationaal recht.”

 

Pleitbezorgers van het recht op terugkeer beroepen zich onder meer op internationaal gewoonterecht, op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Vluchtelingverdrag, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, de Geneefse Conventies, en vooral op resolutie 194 van de Algemene Vergadering van de VN. In die resolutie riep de internationale gemeenschap al in 1948 op tot repatriëring, hervestiging, economische en sociale rehabilitatie en compensatie van de Palestijnse vluchtelingen. Aan die oproep is nooit gevolg gegeven.

 

Miljoenen Palestijnen zijn nergens thuis. In Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem leven ze ontheemd, in kampen, onder de repressie van bezetting, apartheid en kolonisatie. In Israël en Jordanië zijn het tweederangsburgers, in Libanon leven ze in kampen en zijn er tientallen beroepen die ze niet mogen uitoefenen, in Egypte krijgen ze hooguit een tijdelijke verblijfsvergunning en in de Golfstaten en Irak worden ze massaal verdreven. Nidal: “Ik ijver voor de implementatie van resolutie 194. Dat is mijn levenswerk. Ik doe dat als mens, als advocaat, als vluchteling. Recht is recht en wet is wet, daar komt weinig politieke interpretatie bij kijken. Natuurlijk heb ik ook politieke opvattingen. Ik geloof dat de enige politieke oplossing ligt in de oprichting van één seculiere en democratische staat waarin alle Palestijnen en joden gelijke burgers zijn. Geen joodse staat, geen islamitische staat, maar een democratische rechtsstaat.”

 

Nidal groeide op in het vluchtelingenkamp Aida bij Bethlehem. Hij woont er nog steeds. Zijn ouders, na 1948 gevlucht uit hun dorp Beit Jibrin bij Hebron, namen hem als kind mee naar de plek waar ze ooit zelf opgroeiden. Nidal: “We leerden namen van gezinnen plakken op ruïnes. We kerfden onze namen in het leegstaande huis van mijn grootvader.” Beit Jibrin lag volgens het Verdeelplan van de VN in Arabisch gebied. Toch wordt het aangevallen, ontvolkt en veroverd in oktober 1948. Nidal: “Mijn vader vertelde me hoe hij als dertienjarig jochie op zoek ging naar zijn vader die zich had verschanst in het dorp en hoe ze samen wegliepen uit een leeg en gebombardeerd dorp, met alleen een sleutel in de hand. De familie is toen gevlucht naar een naburig dorp en later naar Hebron, dat lag achter de Groene Lijn, buiten bereik van de nieuwe staat Israël.”

 

Speelgoedpistooltje

De ouders van Nidal komen na omzwervingen terecht in het Aida vluchtelingenkamp bij Bethlehem, waar Nidal in 1968 het levenslicht ziet. Vóór 1948 hadden de Al Azza’s land, geiten, schapen en aanzien. Daarna leefden ze in kampen, terend op karige vluchtelingenvoorzieningen en verschrompelende dromen. Wat generaties hadden gespaard en opgebouwd was voorgoed verloren, eigendomspapieren waren waardeloos geworden. In het kamp zijn de Al Azza’s boeren zonder land of vee, gepropt in kleine huisjes en onder volledige militaire controle van Israël.

 

Op een dag als hij acht is, koopt Nidal een speelgoedpistooltje. De Ramadan is die dag net afgelopen en hij speelt op straat. Tot Israëlische soldaten hem oppakken. Ze binden hem vast op de kap van hun legerjeep, scheuren met hem door de straten en dumpen hem in een donkere legergarage in Bethlehem. Na zeven uur mishandeling en ondervraging mag zijn vader hem ophalen. Nidal: “Ik was nog nooit zo bang geweest.” Na die dag is hij volwassen. Hij begint zichzelf vragen te stellen die kinderen zich niet zouden moeten stellen. “Waarom worden mensen opgepakt, verdreven en geslagen, wat betekent ‘martelen’, wat doen de Palestijnen in Libanon, wat zijn martelaars, waarom zijn er zoveel Israëlische soldaten in onze straten, waarom moesten mijn ouders weg uit Beit Jibrin? Ik wilde het allemaal weten.”

 

Op de middelbare VN-school in het kamp gaat Nidal een stap verder. “Ik wilde niet alleen dingen weten, ik wilde iets doen. Ik was dertien. Er waren net gemeentelijke verkiezingen geweest in de Westelijke Jordaanoever en Israël weigerde de uitslag te erkennen. PLO-verkozenen werden met geweld uitgeschakeld en vervangen door stromannen en in Zuid-Libanon voerde Israël een oorlog tegen de PLO. Toen ben ik met klasgenoten demonstraties gaan organiseren. We deden mee aan de herdenkingen van de Nakba, de catastrofe van 1948, aan de Landdag, de herdenking van het eerste algemene Palestijnse burgerprotest in 1976 en aan andere protestacties. Ik kreeg respect, werd een leider in mijn kleine kring en had het gevoel dat ik echt iets kon doen.”


Het kat-en-muis-spel van de eerste intifada beheerst Nidals eerste tienerjaren. “Stenen gooien en kogels ontwijken, rennen voor je leven, de adrenaline van angst en overmoed, onderduiken, thuis weer opduiken en niets zeggen, politieke discussies op school met leraren die zelf vluchteling waren, dat waren Nidals eerste tienerjaren. En elke keer als wij militairen te slim af waren werd het hele kamp gestraft, met de avondklok, striktere controles, uren op appel staan op het plein zonder te mogen plassen, drinken of roken, met willekeurige arrestaties. Mensen accepteerden dat, ze waren bereid om de prijs te betalen voor het verzet dat we organiseerden. Het gaf hen moed en kracht om door te gaan met leven. In een schuilhut vonden we een keer een molotov cocktail. We leerden die dingen in elkaar knutselen en gooiden ze naar tanks. Als de dood waren we. Jochies die vochten tegen tanks. We zochten naar manieren om nee te zeggen de repressie, bezetting en armoede van ons kampbestaan.”


In 1983 worden Nidal en zijn vrienden gearresteerd. Nidal is dan veertien en daarmee de jongste Palestijnse politieke gevangene. “We werden weggevoerd als vee, geboeid en op elkaar gegooid in een laadbak, gestompt en geslagen met geweerkolven. We kwamen terecht in dezelfde legergarage waar ik had gelegen toen ik acht was. Elke voorbijlopende soldaat mocht op ons stampen en spugen. Het was een soort spel. Zo bereiden ze je voor op wat nog komt.”

 

Bang om te plassen

Zonder uitleg worden de vijf vrienden afgevoerd naar een detentiecentrum in Ramallah. Het is het begin van een hellegang die drie etmalen duurt. Elk kind wordt afzonderlijk mishandeld en ondervraagd. “Zonder één woord uitleg werd ik opgehangen aan mijn handen die ze op mijn rug hadden gebonden. De zogeheten Shabagh marteling. Dat duurde vierentwintig uur. Telkens als ik vroeg om drinken of eten kreeg ik klappen op hoofd, benen, borst. Ik wilde niet huilen. Ik zong liedjes in mijn hoofd en dacht aan de stem van mijn vader en moeder. Ik was zo bang om te plassen in mijn broek. De volgende dag begon de ondervraging, door een man in burger. Of ik demonstraties had georganiseerd. Of ik stenen had gegooid en een molotovcocktail. Hij wist alles van mij, zelfs mijn rapportcijfers. Ik hield mijn mond.”

 

Ook bij de volgende martelfasen houdt Nidal zijn mond. Hij wordt urenlang ruggelings opgehangen, hoger dan eerst, aan een ijzeren pijp. Na lange koude douches (gekleed) brengt hij uren rillend door onder blazende airco’s. Nidal: “Ik kreeg tien minuten per dag om te schijten en te vreten. Zo noemden ze dat. Nieuwe ‘ondervragers’ gingen steeds ruwer te werk. Ene Rony sloeg met een ijzeren asbak op mijn hoofd tot het bloed warm over mijn gezicht stroomde. Hij zei dat hij zou doorgaan tot ik zou bekennen. Ik hield mijn mond en werd afgevoerd. Ik hoorde voortdurend het krijsen en huilen van mijn vrienden uit andere kamertjes. Ik voelde mijn lichaam niet meer. Na de derde martel- en ondervragingsronde was ik extreem moe. Elke tien minuten werd ik wakker geslagen. Ze zeiden dat ze het huis van mijn ouders zouden afbreken als ik niet bekende. Ik werd gek van twijfel en angst.”

 

Na de derde dag bezwijken Nidals vriendjes onder de druk en bekennen. Eén van hen, Hamad die zestien is, wordt in Nidals cel gegooid. Nidal: “Hij vertelde me hoe ze hem hadden bevolen zijn broek en onderbroek uit te trekken en hoe ze hem hadden vastgebonden. Het was donker. De ondervrager beval één van de soldaten om Hamad in zijn kont te neuken als hij niet onmiddellijk zou bekennen. Hamad huilde en heeft toen bekend. Ik ben later die dag ook door de knieën gegaan.”


Na hun bekentenis gaan de mishandelingen nog tien dagen door. Ondervragers willen het groepje nog een moord op een kolonist uit de nederzettingen in de schoenen schuiven. Dat lukt niet. Uiteindelijk wordt Nidal, na acht maanden feitelijke detentie, veroordeeld tot acht jaar cel. “Ik kreeg een oranje gevangenisshirt en een bruine broek van de Israëli’s en mocht om de drie maanden een nieuwe onderbroek krijgen van bezoekers.” Na ruim een maand ziet Nidal zijn ouders, achter glas. “Ik vertelde hen niets van de martelingen. ‘Wees sterk’ zei mijn vader, ‘en eet en in godsnaam lees en leer zoveel mogelijk. Ik zal zorgen voor een advocaat.‘ Ik zag mijn vader wenen. Dat was het moeilijkste. Deze man die zijn hele leven lang had geploeterd om zijn gezin te beschermen en iets van een toekomst te bieden. Mijn moeder kon maar één woord zeggen: ‘waarom?’.”

 

Uiteindelijk komt Nidal vervroegd vrij in 1985 bij een gevangenenruil tussen Israël en de PLO. Na 1987 wordt hij nog zeven keer gearresteerd. Alles samen zit hij zes jaar in de gevangenis. Nidal: “Na mijn laatste vrijlating in 1993 wilde ik maar één ding: werken om mijn gezin te kunnen onderhouden.”


Dat doet hij ook, tot zijn leven in 2000 een nieuwe wending neemt. In dat jaar is Nidal betrokken bij de oprichting van Lajee, een cultureel en sociaal jeugdcentrum voor vluchtelingenkinderen in het kamp Aida. En hij gaat rechten studeren aan de Al Quds Universiteit. “Ik durfde nooit te gaan studeren, de druk om geld te verdienen was te groot. Maar mijn vrouw heeft me ingeschreven. Ik slaagde elk jaar met grote onderscheiding. Voor mij was de studie gemakkelijk, omdat mijn lichaam en mijn geest uit ervaring hebben geleerd wat recht en onrecht is.” In 2004 haalt Nidal zijn bachelor aan de Al Quds Universiteit en krijgt een beurs van de Open Society Institute om verder te studeren in de VS. Twee jaar later haalt hij zijn masters international co-operative law aan de universiteit van Colombia en vandaag geeft hij leiding aan de afdeling rechtshulp van Badil, één van de belangrijkste Palestijnse vluchtelingenorganisaties.

 

Kantje boord

Israël kan Palestijnse burgers straffeloos en om het even waar of wanneer oppakken, mishandelen of onteigenen, zo leert ons Nidals verhaal. Voor iemand als hij, een Palestijnse vluchteling met een gevangenisverleden die bovendien het lef heeft om mensenrechten te verdedigen en internationale contacten te onderhouden, is schuilen voor Israël een illusie en veiligheid een pijnlijke grap. Op 8 december 2006 beschieten Israëlische soldaten zijn woning in het Aida vluchtelingenkamp vanuit een van de permanente militaire wachttorens. Zijn zoon Miras, twaalf jaar, speelt op het balkon met andere kinderen en wordt geraakt. Nidal hoort het bericht op kantoor bij Badil. “Ik zag Miras op de spoedafdeling. De kogel was langs zijn rug door zijn maag weer naar buiten gegaan. Hij keek me aan en vroeg of hij dood ging. In al mijn jaren van pijn en strijd is dit de zwaarste beproeving geweest. Ik zei ‘nee je gaat niet dood’ maar van binnen stortte ik in. Hij is gered, maar het was kantje boord. Later zijn de schutters bij ons langs geweest. Ze gniffelden toen ze Miras zagen. ‘Ons doelwit’ noemden ze hem. Ze claimden dat er een wapen lag bij mij thuis en dat de kinderen op het balkon schutters waren. Pure nonsens, ze hebben nooit iets gevonden. Ze doen gewoon alles om mijn mensenrechtenstrijd te saboteren.”

 

In de loop van Israëls bestaan is de familie Al Azza een clan van vluchtelingen geworden. Vier generaties lang al worden zij met zwaar geschut en gewiekste militaire regelgeving van hun land gejaagd, hun dorpen en huizen uitgedreven, vluchtelingenkampen en gevangenissen in gejaagd en hun vluchtelingenhuizen vervolgens weer uitgeschoten. Zonen zochten lang geleden hun vaders in uitgemoorde dorpen, moeders hun gevangen zonen in de spookgezichten achter glas. Zonen werden zelf vader en bleken niet in staat hun kinderen tegen nieuwe kogels te beschermen. Families klommen telkens weer uit de echoput van onrecht, wreedheid, verlies en diepe rouw. Hoe blijf je onder zulke omstandigheden vasthouden aan je geloof in recht en rechtvaardigheid? Nidal: “Weet je, wij verzetten ons tegen de bezetting door Israël omdat we houden van het leven. Als we uit zouden zijn op schade en destructie van anderen, als we gehecht zouden zijn aan haat en vernieling, dan waren we allang van binnen uit kapot gegaan. Wij willen leven.”

 

Niet alleen onze rechten

Nidal wil het gesprek niet afsluiten zonder een expliciete oproep te doen aan de lezers van zijn verhaal. “Wij kunnen de strijd tegen de bezetting niet in ons eentje voeren. Burgers wereldwijd moeten ons daarin steunen. De beste manier om dat te doen is door je aan te sluiten bij de internationale campagne die vraagt om de toepassing van internationaal recht. Geen warfare, maar lawfare.”