Human Rights Defenders

 

Huis nummer 10, cel nummer 11

Huisuitzettingen in Sheikh Jarrah en het verzet van vluchtelingenfamilies

 

In de nog duistere ochtend van 2 augustus 2009 bestormen Israëlische antiterreureenheden twee Palestijnse woningen in Sheikh Jarrah, een wijk in Oost-Jeruzalem. Ze zetten twee bij de VN geregistreerde vluchtelingenfamilies manu militari op straat, laden de inboedels op trucks en geven de huizen over aan gereed staande en gewapende orthodoxe kolonistenfamilies.

 

Eén van de twee uitgezette families is die van Nasr Al Ghawi. Tien maanden eerder al, in een straatje verderop, was de familie Al Kurd met grof geweld op straat gezet. Ook dat gebeurde in een nachtelijke razzia. Rolstoelpatiënt Abu Kamel werd daarbij uit zijn bed gelicht en honderden meters verder in een greppel achtergelaten. Hij stierf elf dagen later. Dit keer is het de beurt aan de families Al Ghawi en Hanoun.


Reacties blijven niet uit. Hilary Clinton roept haar verontwaardiging uit. VN Midden-Oosten gezant Robert Perry noemt de uitzettingen een grove schending van de Geneefse Conventies en in strijd met urgente oproepen van de internationale gemeenschap. Israëlische, Europese en Amerikaanse demonstranten protesteren luidkeels. Veel misbaar, weinig effect. Israël gaat ongestraft door met haar nederzettingenbeleid in bezet Oost-Jeruzalem. Orthodoxe kolonisten blijven er ongehinderd en ongestraft zwaaien met M16 machinegeweren in Palestijnse straten en op Palestijnse balkons. Zelfs de zandbak in Sheikh Jarrah is bewaakt terrein geworden. Palestijnse kinderen die willen spelen krijgen vanuit de militaire wachttoren het bevel te vertrekken. Hun schommel is een schommel geworden voor kolonistenkinderen.

 

Er zijn inmiddels vier Palestijnse families verdreven uit hun woningen in Sheikh Jarrah. Het zullen niet de laatste zijn. Zevenentwintig vluchtelingenfamilies in Sheikh Jarrah staan op de uitzettingenlijst. Hen wacht eenzelfde lot. De onttakeling van deze gemeenschap ligt op schema.

 

Routinewerk

De ouders en grootouders van deze vluchtelingenfamilies sloegen in 1948 op de vlucht voor het oprukkende Israëlische leger. In samenspraak met de Jordaanse overheid, toenmalige bestuurder van het gebied, bood de VN (UNRWA) hen in 1956 noodhulp en onderdak aan in de wijk Sheikh Jarrah. Na acht jaar dolen en vluchten vonden ze een plek. Het VN vluchtelingenprogramma bepaalde indertijd dat de bewoners na drie jaar huiseigenaar zouden worden. Maar de eigendomsakte kregen ze nooit in handen. Na de bezettingsoorlog in 1967 begonnen orthodoxe joden grond en huizen op te eisen, mede omdat ze liggen in de buurt van een oude joodse graftombe. Het feit dat grondbezit niet altijd even nauwkeurig werd geregistreerd in Ottomaanse tijden speelde in hun voordeel. Rechtbanken van de bezettende macht honoreerden veel van die claims. Ook de Al Ghawi’s verloren uiteindelijk hun rechtszaak, ook al bevatten stadsarchieven in Jeruzalem en Istanbul bewijzen dat de bewuste grond al van voor 1948 in bezit is van een Palestijnse familie.

 

Juridisch afgedwongen en militair uitgevoerde nachtelijke uitzettingen en huisafbraken in Palestijnse wijken als Sheikh Jarrah, Silwan en Beit Hanina zijn intussen routinewerk geworden. Dit is in strijd met internationaal humanitair recht, met fundamentele mensenrechten en met eigendomsrechten. Ir Amim, een Israëlische non-profitorganisatie die de Palestijns-joodse co-existentie in Jeruzalem bevordert, heeft onderzoek gedaan naar de onteigenings- en bouwplannen van joodse kolonisten in Oost-Jeruzalem en komt tot de conclusie dat deze plannen ‘een joodse ring van nederzettingen en openbare gebouwen’ om het oosten van de Oude Stad leggen en de Palestijnse gemeenschap volledig afsnijden van het natuurlijke Palestijnse achterland van de Westbank, nadat eerder al het natuurlijke verkeer naar het westen van de stad onmogelijk was gemaakt. Kortom, de Palestijnse gemeenschap in Oost-Jeruzalem komt volledig klem te zitten. In Israëlische rechtbanken mogen Palestijnen zwaaien wat ze willen met eigendomsbewijzen en huurovereenkomsten uit Ottomaanse, Britse en Jordaanse tijden, ze trekken hoe dan ook aan het kortste eind. Volgens datzelfde Ir Amim, een organisatie van de joodse advocaat Daniel Seidemann, is het Israëlische gerecht tot in de kern onbillijk en praat het recht wat krom is. Israëlische rechters, aldus Ir Amim, behandelen Palestijnen en kolonisten ongelijk voor de wet en dienen een politieke agenda die onrecht in de hand werkt en spanningen in Jeruzalem op de spits drijft.

 

Vier uur in de ochtend

De zaak van Nasr Al Ghawi illustreert de tragedie die zich voltrekt in Sheikh Jarrah maar al te treffend. Na de uitzetting op 2 augustus bivakkeert hij maandenlang met zijn vrouw en kinderen op de stoep voor zijn huis. Zeventien keer komen gemeentelijke ordediensten langs om hun telkens opnieuw opgetrokken tentje en hun bij elkaar gesprokkelde huisraad weg te halen of te vernietigen. Nasr verliest zijn baan als grafisch ontwerper, zijn kinderen worden ziek, zijn vrouw bereddert zich in de koude herfstmaanden met potten, pannen, matrassen en stukken zeil. Kinderen die er het slechts aan toe zijn krijgen om beurten een slaapplek op de achterbank van de auto. Intussen verandert het geboortehuis van Nasr in een joodse vesting, met veiligheidscamera’s op de voorgevel, de Israëlische vlag in top op het dak. ‘De zonen zijn thuis’ luidt de bloedrode Hebreeuwse slogan die de kolonisten na bezetting van het huis op de gevel spijkeren. Op gezette tijden passeren militaire patrouilles en gewapende joodse burgerwachten door de wijk om te kijken of de daklozen zich koest houden.

 

Vandaag is Nasr het zelfverklaarde hoofd van wat hij noemt ‘het informatie- en wijkcentrum’ dat opkomt voor huisvestingsrechten en mensenrechten in Sheikh Jarrah. Zijn kantoor is een aftandse zetel op de stoep, de kruin van een oude boom dient als dak, regen- en zonnescherm.
“Ik ben hier zevenenveertig jaar geleden geboren, in huis nummer 10. Mijn eerste herinneringen zijn die van de limoen- en abrikozenboompjes op het binnenkoertje. Mijn bloed zit in dit huis. Al in 1972 kwamen de eerste claims van kolonistenverenigingen op onze woning. In het begin verwierp de rechtbank ze nog. Tussen 1972 en 1998 legden zo’n dertig familieleden drie miljoen shekel bij elkaar voor gerechtskosten en advocaten (ongeveer 640.000 euro). Na 1998 nam de Palestijnse Autoriteit gelukkig een deel van de kosten voor haar rekening. In 2006 besliste het Israëlische Hooggerechtshof dat kolonisten geen aanspraak konden maken op ons huis. We konden weer ademen. Tot maart 2008, toen viel er plots een uitzettingsbevel in de bus. De VN vluchtelingenprotocollen waarop staat dat wij hier mogen wonen, de Ottomaanse stukken die onomstotelijk bewijzen dat deze grond en deze huizen in het bezit zijn van een Palestijnse familie en niet van joodse mensen, de rechtbank negeert het allemaal. Er zat niets anders op dan de gevraagde dwangsom van 50.000 shekel te betalen om niet te worden uitgezet. In november zette de Israëlische oproerpolitie de wijk af en sloeg de Al Kurds bij nacht uit hun huis en een kolonistenfamilie glipte er naar binnen. In mei 2009 ontvingen we een tweede uitzettingsbevel. Maandenlang verschansten we ons in huis. We waren als de dood, we wisten wat er met de Al Kurd familie was gebeurd. Om beurten, samen met buurtbewoners en buitenlandse vrienden van de International Solidarity Movement hielden we ’s nachts de wacht. Op 2 augustus was het onze beurt. De Israëlische troepen kwamen. De hel brak los.”

 

Om vier uur ’s ochtends zetten honderden troepen van de oproer- en grenspolitie de wijk af. Pantservoertuigen dreunen door de straat, politieauto’s komen aangereden met zwaailichten. Gemaskerde Yassam commando’s bestormen huis nummer 10. Met kleine explosieven blazen ze de voordeur weg. Maysoun, de vrouw van Nasr: “Eerst sloegen ze de ramen in. Iedereen krijste en huilde in huis. Mijn jongste van 19 maanden, Sara, hield ik vast, maar ze schopten ons op benen en buik en ik viel. Ayman van vier sleurden ze uit bed en tilden ze op bij zijn nek. Ik werd helemaal gek van angst.”

 

Nasr: ”Ze hadden niet alleen machinegeweren, maar ook grote sproeiapparaten. Geen idee wat dat voor spul was. Mijn gezin, mijn kinderen en tientallen andere familieleden en buitenlandse activisten bevonden zich in mijn huis. Ik kon niemand helpen of beschermen. Ik was in shock. De commando’s riepen bevelen, sloegen, trapten op onze benen, armen en hoofd, bombardeerden deuren en sproeiden in het rond. Alles gebeurde midden in de nacht, het was donker, ze zwaaiden met scherpe zaklampen. Ze deden hun werk razendsnel en mechanisch. Eerst werden alle buitenlanders met grof geweld van ons gescheiden en gearresteerd. Daarna werden wij gearresteerd. Alles ging in een flits. We lagen op straat, onze inboedel werd afgevoerd en binnen een uur trokken drie kolonistenfamilies onder gewapende begeleiding ons huis in.”

 

Van de ene dag op de andere stort Israël het gezin Al Ghawi in een acute noodsituatie en schendt daarbij zo’n beetje alles wat er te schenden valt: vluchtelingenrechten, kinderrechten, vrouwenrechten, Geneefse Conventies, politieke en burgerrechten en eigendomsrechten. In elk van de vele nachtelijke razzia’s of huisafbraken in Oost-Jeruzalem haalt een naar eigen zeggen democratische rechtsstaat zichzelf als bezettende macht verder onderuit. En naarmate die morele en internationaal rechtelijke afbrokkeling vordert, ziet Israël geen andere uitweg dan zich politiek dieper te verschansen in een harnas van rechts radicalisme, orthodoxie en historische verongelijktheid.

 

Ezel

Nasr: “Sinds die nacht probeer ik mijn gezin bij elkaar te houden. En tegelijk voer ik actie door elke dag een paar uur op de stoep te zitten, hier in deze zetel, tegenover mijn huis. Zo verdedig ik de rechten van al de families hier in Sheikh Jarrah. Dat is mijn baan nu. Meer dan vier maanden leefden we hier op straat. In de regen, in de kou, onder stukken tentzeil. Elke keer kwam de politie om ons familiekamp weg te slaan. Mijn kinderen veranderden, verruwden, versomberden. Als je maanden op straat moet leven zie je hoe je kinderen geestelijk en ook fysiek afdrijven. Je doet alles als ouder om dat tegen te gaan. Abdallah van negen liep een huidziekte op door het leven op straat. Sara van nog geen twee wijst soms zwijgend naar ons huis en roept ‘ezel’ als er een kolonist uit onze voordeur naar buiten komt. Ze weet wat er is gebeurd. Mijn andere zonen Ayman en Adam gaan gelukkig nog naar school, maar ik heb ze steeds minder in de hand.”

 

Na bijna vijf maanden op straat is de grens van het leefbare bereikt. Het wordt te koud. Het gezin Al Ghawi vindt een klein appartement buiten de stad. Het eerste jaar betaalt de Palestijnse Autoriteit de huur van achthonderd dollar per maand. Dat jaar is bijna om. Nasr: “Ik wil dat de PA mij betaalt voor het werk dat ik vandaag doe als mensenrechtenactivist hier in Sheikh Jarrah.”
Elk dag zit Nasr in zijn zetel, op de stoep voor huis nummer 10. Buitenlandse journalisten, activisten, advocaten en nieuwsgierigen, hij staat ze allemaal te woord. “Ik vertel mijn verhaal. Natuurlijk ben ik bang en ga ik kapot van verdriet en boosheid. Maar ik blijf geweldloos. Ik heb een gruwelijke hekel aan geweld. Ik voel niet eens de verleiding om met stenen te gooien, te roepen of te tieren of, erger, kolonisten aan te vallen. Het werkt alleen maar averechts. Ik wil alleen dat de wereld het ware gelaat ziet van Israël, daarom zit ik hier. Een staat die burgers en kinderen doodt in Gaza, land rooft in de Westelijke Jordaanoever, buitenlandse activisten doodt in internationale wateren en vluchtelingen uit hun woningen ranselt hier in Oost-Jeruzalem. Ik wil dat mensen de ware aard kennen van de extremisten die ons huis bezetten. Een van hen is een kapitein in het Israëlische leger. Op een dag kwam hij in religieuze kledij de straat op, met zijn M16 machinegeweer. Hij zei dat hij ons op een dag allemaal zou neerschieten. De politie kwam en arresteerde mij. Normaal weigeren de kolonisten elk contact met ons. Toch kwam een andere kolonist een keertje uit ons huis op ons afgestapt. Hij was bereid te spreken. Hij zei me dat niet hij, maar god zijn gezin had bevolen dit huis in te nemen, zoals god had bevolen om de kinderen in Gaza te doden en zoals god had bevolen om alle Palestijnen van de aardbodem te vegen. En dat niemand ontkomt aan gods wil.”

 

In 2008 betaalde de familie Al Ghawi 50.000 shekel om niet te worden uitgezet. Hebben ze dat geld nog teruggekregen nu ze alsnog zijn uitgezet? Nasr: “Ben je gek. We hebben net als de Hanouns een rekening gekregen van de kolonisten om onze eigen uitzetting te betalen. Dertienduizend shekel. Dat geld heb ik niet. Wie in gebreke blijft draait de bak in. Ook dat hangt ons nog boven het hoofd. Zelfs de rekeningen voor gas en elektriciteit van het huis dat ons is ontnomen blijven binnenkomen op onze naam. Ook dat moeten wij betalen. De betalingsachterstand bedraagt nu duizenden shekel. Normaal, als je als Palestijn een paar maanden je rekeningen niet hebt betaald dan sluiten energiemaatschappijen alles af. In ons huis blijven ze gewoon gas en elektriciteit leveren
Toch blijft Nasr geloven in zijn zaak. “Mijn leven lang woonde ik in huis nummer 10. Nu woon ik nergens, in huis nummer 0. Mijn ziel zit nog in dat huis, alleen mijn lichaam is eruit geslagen. Maar ik blijf hier zitten tot ik weer naar binnen kan. Tot de 1 weer staat voor de 0 en mijn ziel weer kan wonen in mijn lijf.”

 

Intussen aan de overkant

Drie maanden na de Al Ghawi’s was het beurt aan Im Nabil en haar zoon. Zij wonen aan de overkant van huis nummer 10. Im Nabil is een weduwe van 87 jaar. In 1948 vluchtte ze uit Haifa. Haar man, geen soldaat of strijder maar een restauranthouder in de toen nog Palestijnse havenstad, werd in de Israëlische ‘onafhankelijkheidsoorlog’ krijgsgevangen gemaakt. Im Nabil: “Vroeger, voor 1948, gingen we naar het strand met joodse vrienden. Na de bommen en de razzia’s waren we alles kwijt. Ons huis, het restaurant dat we uitbaatten, het spaargeld dat we in de bankkluis hadden, niets heb ik ooit nog teruggezien. Mijn man was geen soldaat of verzetsstrijder, maar heeft wel negen maanden in krijgsgevangenschap doorgebracht.” In 1956 belanden ze in Sheikh Jarrah. “Wij waren vluchtelingen, zonder bezittingen, zonder verleden, zonder toekomst. De paar juwelen die ik om had heb ik verkocht om hier in Sheikh Jarrah het hoofd boven water te houden. Mijn man ging brood bakken. Hij stierf in 1963. Ik heb mijn zoon en mijn vijf dochters alleen opgevoed. Dat mijn dochters naar de universiteit zijn gegaan, is de grootste overwinning van mijn leven. Daar heb ik voor gevochten, maar of mij dat gelukkig maakt? Dat gevoel heb ik verloren. Of ik nu voor mij kijk of achter mij, naar boven of naar beneden, ik zie niets dat mijn verdriet wegneemt.”

 

Eind jaren negentig vraagt de zoon van Im Nabil een vergunning aan om in de tuin van het ouderlijke huis een woning te bouwen voor zijn jonge gezin met vijf kinderen. Hoe lang hij ook wacht en wat hij ook betaalt, de vergunning komt er niet. In 2001 bouwt hij op goed geluk een klein vertrek aan het ouderlijke huis. Het nieuwe gezin moet immers ergens wonen en dat kan nergens anders dan hier: de rest van de stad is verboden terrein en verhuist hij naar de Westbank, dan verliest hij zijn verblijfsrecht in Jeruzalem en brengt hij net als zijn ouders de rest van zijn leven door in ballingschap. Hij kiest ervoor om op goed geluk te bouwen en te blijven. Datzelfde jaar nog legt de rechter hem een boete op van 100.000 shekel en laat de aangebouwde kamers verzegelen. Israëlische stadsplanners hebben de tuin van Im Nabil intussen tot ‘groene zone’ bestempeld. Op 3 november valt het zwaard. Im Nabil: “Ik was koffie aan het drinken. Plots stonden er vijftig kolonisten op de stoep. Ik riep nog ‘wat doen jullie’. Ze gingen de verzegelde woning in met de sleutel die ze op de rechtbank hadden gekregen. We probeerden ze tegen te houden, maar ze sloegen erop los. Achteraf heeft de rechter toegegeven fouten te hebben gemaakt. Maar de settlers zitten er nog steeds, achter de muren waar wij op dit moment onze koffie drinken.”


In de maanden die volgen vallen kolonisten en politieagenten verschillende keren binnen in de woning van Im Nabil. “Mijn dochter is vier keer het ziekenhuis in geslagen door jonge orthodoxe kolonisten. Ook ik kreeg rake klappen. Ik wilde ze tegenhouden. Zij sloegen hard in op mijn arm, maar ik ben aangeklaagd voor geweld tegen kolonisten. Ik, een vrouw van 87! En vandaag? Vandaag zitten de kolonisten in ons huis, schelden ons uit voor hoeren, maken obscene gebaren en zwaaien met hun geweren. Eén van hen heeft een keer zijn machinegeweer tegen mijn hoofd gehouden. Als we ook maar iets doen, iets terugroepen of naar ze uithalen, bellen ze het leger. Wat je ook doet, het werkt tegen je. Je krijgt nooit gelijk.”

 

Marian Al Ghawi, de schoonzus van Nasr die ook op 2 augustus uit huis is gezet, komt dikwijls langs bij Im Nabil en haar dochter. Voor een praatje of een sigaretje; vrouwen onder elkaar die zich wat warmen aan kooltjes Arabische gezelligheid. Marian is gescheiden en net als Im Nabil voedt ze haar kinderen alleen op. Ze vertelt wat de uitzetting voor haar betekent. “Wij hebben ons huis met eigen handen gebouwd. Als ik vandaag het trapgat zie onder het balkon moet ik huilen om de troep. Ik mag het niet aanraken, ik mag niets schoonmaken. Gisteren liep mijn zoon van negen op een onbewaakt moment ons bezette huis in. Het hek stond toevallig open. Hij werd door drie politieagenten weer op straat gezet. Wat betekent macht als je het leger en de politie en eigen wapens nodig hebt om een gestolen woning te betreden? Wat is vrijheid dan? Wij, vluchtelingen, daklozen en verjaagde mensen hebben geen wapens nodig om onze tenten, schuilplaatsen of woningen binnen te gaan. Wij staan sterker. Met hand en tand heb ik geprobeerd om mijn kinderen te beschermen. Mijn zoon van tweeëntwintig is op de dag na de uitzetting door twintig soldaten tegen het asfalt van de straat gedrukt, geslagen en bespoten met pepper spray. Mijn leven lang ben ik bang geweest voor wapens en soldaten, bang dat mijn kinderen iets zou overkomen. Maar toen ik dat zag verdween alle angst voorgoed uit mijn lijf. Ik ben op hem gesprongen, tussen alle soldaten en wapens.

 

Ze hebben hem van mij weggesleurd. Als een dwaze liep ik rond die dag. Ik ben alle ziekenhuizen langsgegaan. Hij was nergens te vinden. Bij het politiebureau kreeg ik hem uiteindelijk te zien. Heel even maar, in cel nummer elf. Hij zat vastgebonden aan een stoel, zijn gezicht was bebloed en opgezwollen. Maar hij leefde, mijn god, hij leefde. Na drie dagen martelen en een boete van 3000 shekel lieten ze hem gaan. Er is nooit een aanklacht geweest, ze snauwden ons alleen maar toe dat hij politieagenten zou hebben geslagen. Dat is wat 2 augustus voor mij betekent.”

 

Stug volhouden, je huis en je kinderen met hand en tand verdedigen, dag in dag uit post vatten in een zetel op de stoep, geslagen worden en weer opstaan, je angst overwinnen en je woede bezweren, rechters, antiterreureenheden en kolonisten trotseren. Dit dagelijkse overleven, weerwerk bieden en je rug recht proberen te houden is mensenrechtenwerk en maakt van de vluchtelingen van Sheikh Jarrah mensenrechtenverdedigers bij uitstek. Zij hebben geen andere keuze. Want of het nu is in de rechtbank, op straat of in de eigen woonkamer, of het nu plotsklaps is of na jaren procederen, of het nu bij dag is of bij nacht, of je nu bakker bent, vluchteling, grootmoeder, scholier of peuter, niemand in Sheikh Jarrah ontsnapt aan de bezettersmacht van Israël.


Zoals de vrouwen zeggen in Sheikh Jarrah: “Wij kunnen alleen maar hopen dat de wereld iets doet. En luistert naar ons verhaal. Insjallah.”