Human Rights Defenders

 

“Een deel van mij is kapot gemarteld”

Mohammad Othman is één van de mensenrechtenverdedigers die in administratieve detentie heeft gezeten.

 

Mohammad, 34 jaar, was jeugdcoördinator bij Stop the Wall. Deze Palestijnse campagne organiseert geweldloos verzet tegen de muur en werkt samen met internationale solidariteitsbewegingen om Israëls illegale bezetting economisch en politiek tegen te gaan.

 

Palestijnen die hun recht op zelfbeschikking en andere universele mensenrechten verdedigen, krijgen het twee keer voor hun kiezen. Net als elke Palestijn gaan zij gebukt onder de bezetting en de structurele onderontwikkeling in eigen land. Openlijk het recht opeisen om als mens te mogen bestaan en de bezetting met vreedzame middelen bestrijden, komt hen te staan op een behandeling als terrorist.


Sinds Israëls militaire bezetting van de Palestijnse Gebieden in 1967 zijn er naar schatting 700.000 Palestijnen opgepakt en gedetineerd. Israëls detentiepolitiek is een hoeksteen van de bezetting en van wat Palestijnen beschouwen als het Israëlische apartheidsregime. Die politiek is gericht op maximale onderdrukking van alle vormen van verzet, inclusief legitieme geweldloze vormen. Vandaag houdt Israël zo’n tienduizend Palestijnse politieke gevangen vast. Veelal in detentiecentra in Israël, wat op zich al een schending is van de vierde Geneefse Conventie, en vaak zonder formele of openbaar gemaakte aanklacht en zonder eerlijke procesgang zoals vastgelegd in internationaal recht. Vele honderden gevangenen zijn kinderen. Meer dan driehonderd gevangenen zitten in zogeheten administratieve detentie, een maatregel die Israëlische autoriteiten gebruiken als ze menen dat bewijs tegen de gearresteerde niet kan worden gepresenteerd tijdens gewone rechtszaken omdat de informatie te gevoelig zou liggen. Het komt er in de praktijk op neer dat Israël mensen zonder eerlijk proces en zonder belastend bewijs kan detineren en onderwerpen aan gruwelijke ondervragingstechnieken. De maatregel kan iedere vier of zes maanden worden verlengd.

 

Mohammad Othman was jeugdcoördinator bij Stop the Wall, een Palestijnse campagne die geweldloos verzet organiseert tegen de muur. Op 22 september 2009 arresteerden Israëlische soldaten hem bij Allenby Bridge, de grensovergang tussen Jordanië en de Westbank. Hij kwam terug van een reis naar Noorwegen. Op 13 januari 2010, na 113 dagen opsluiting, is hij vrijgelaten. Mohammad: “Ik heb het gezicht gezien van mijn bezetter. Een deel van mij is kapot gemarteld. Zelfs in mijn eigen huis of op kantoor durf ik amper nog mensen te spreken. Elke mail die ik stuur, elke stap die ik zet, alles wordt gevolgd. Niets belet Israël om mij morgen weer op te pakken.”


Om naar zijn verhaal te luisteren, ontmoeten we Mohammad in een openbare ruimte in Ramallah. Een plek waar hij denkt niet te worden afgeluisterd. Hij vertelt ons over zijn werk, zijn verleden, zijn dagen in detentie. Over hoe hij zijn toekomst ziet als mens en als mensenrechtenverdediger.

 

Anders leren kijken

“Ik ben opgegroeid in Jayyous, een dorp in Qalqilya, met zeven broers en drie zussen. ‘Hou je stil, anders verdwijn je in de bak’, dat was de boodschap die ik meekreeg als jongetje. Er was altijd angst. Op mijn veertiende kwam alles heel dichtbij. Toen zijn er veel vrienden en familieleden gearresteerd. Controles en vernederingen door Israëlische soldaten waren dagelijkse kost. Op de dag dat ik het laatste examen voor mijn einddiploma moest afleggen werden we weer tegengehouden. We mochten niet naar school. Daardoor ben ik toen gezakt. Ik mocht het jaar overdoen, in dat jaar leerde ik anders kijken naar wat er om me heen gebeurde. Naar mijn vader, een boer die net als zoveel Palestijnen als een slaaf moest bijverdienen in Israël, soms 15 uur per dag zwoegen voor bijna niets. Naar de boeren in onze streek die hun land moesten afstaan, naar de akkers en olijfbomen die werden vernield. Naar de vernederingen en de arrestaties door militairen en politie. Elke dag.”

 

Na school woont en werkt Mohammad een paar jaar in een restaurant in Tel Aviv. Van de muur was nog geen sprake, werken in Israël kon nog. “Ik moest geld verdienen, de familie helpen onderhouden. Mijn vader was ziek, studeren was uitgesloten. Ik werd een kameleon. Ik leerde perfect Hebreeuws spreken, kleedde me als joodse Israëli’s doen, gebruikte de after shave die ook zij gebruikten, droeg mijn haar lang net als zij, bewoog me als hen.

 

Het was de enige manier om werk te vinden, om aan het racisme te ontkomen en niet te worden opgepakt. Niet opvallen, dag en nacht paraat staan voor je werkgever en voor de rest je bek houden, dat was de regel. Ik leefde met twee joodse jongens in een soort jongerenflat. Ze hebben nooit geweten dat ik Palestijn was. Eén van hen ging op een gegeven moment in het leger. Hij keek ernaar uit om in de Bezette Gebieden te dienen. Ik was als de dood dat hij me op een dag bij een checkpoint op weg naar Jayyous zou tegenkomen. Na vier jaar hield ik dat dubbelleven niet meer uit. Ik werd letterlijk ziek van het racisme dat ik om me heen zag. Ik ging terug naar huis. Ik wilde boer worden, zoals mijn vader.”

 

Het pakt anders uit. In 2002 start Israël met de bouw van de muur. De Westbank gaat dicht, dorpen worden ommuurd, steden afgesneden. Inwoners kunnen niet meer vrij naar familie, vrienden, school, naar hun erf of naar hun werk. Landonteigeningen nemen in ras tempo toe om de muur te kunnen bouwen, maar ook de nederzettingen en hun toegangswegen. Jayyous is één van de eerste dorpen waar bewoners actief demonstreren tegen de muur. Net als zoveel boerenfamilies krijgen de Othmans geen toegang meer tot hun eigen landbouw- en graasgronden. Mohammad: “Ik wilde maar één ding, de wereld laten zien wat er gebeurde. Mensen uit Europa kwamen kijken. Ik legde hen uit wat er gebeurde, liet de verwoesting zien die de muur aanrichtte. In het begin deed ik dat met handen en voeten, maar in korte tijd heb ik mezelf Engels geleerd. Deze ontmoetingen zijn mijn universiteit geweest. Ik werd mensenrechtenactivist en sloot me later aan bij de campagne van Stop the Wall.”

 

Blijven ademen

Het zijn ook jaren waarin de druk op Mohammad wordt opgevoerd. “De muur was een boodschap in beton: aanvaard je gevangenschap, blijf in je huis, in je dorp, reis niet, spreek niet, verroer je niet. De bezetting is niet alleen fysiek, het is vooral een psychische aanslag. Veel Palestijnen leggen zich neer bij de gevangenschap in hun dorp, hun huis. Hun levens verschrompelen tot het kleine comfort van een eigen auto, een brommer of een baantje. Als ze dat al hebben. Ze leren om niet meer te dromen. Weet je dat ik nog nooit mijn hoofdstad Jeruzalem heb gezien, nog nooit de Palestijnse zee? Mijn moeder is 65. Zij zal sterven zonder ooit de zee te hebben gezien. Net zomin als mijn vader ooit nog zijn geboortedorp zal zien waar hij in 1948 uit is verjaagd. Mijn verbeelding is mijn verzet. Ik ken de namen van de honderden Arabische dorpen die na 1948 zijn vernietigd, ik ken alle straten en gebouwen van Jeruzalem. Ik ken ze van horen zeggen. Ik verzet me tegen de gevangenschap van de geest. Blijven dromen, blijven spreken, lezen en leren, blijven herinneren, blijven reizen, blijven ademen, dat is wat ik de jongeren in de dorpen probeer bij te brengen. Trek je niet terug in lijdzaam overleven of in beperkt comfort, maar vecht terug door jezelf te vormen, door te blijven reizen, in je dorp, je district, in de Westbank, naar het buitenland. Alleen zo blijf je sterk genoeg, ook van geest, om je rechten te verdedigen. Waarom denk je dat Israël al decennia lang precies onze universiteit zo hard aanpakt? Een geschoolde Palestijn is een overwinning op de bezetting. Wij mogen geen geschoolde, mondige burgers worden. Israël wil dat wij leven als verdachten die zich koest moeten houden. Of liever nog als stenengooiers, militieleden of zelfmoordterroristen zodat ze hun mensenjacht kunnen opvoeren en hun apartheidsregime internationaal nog beter kunnen verkopen.”

 

Als Mohammad in het buitenland de aandacht begint te krijgen waar hij naar op zoek is, legt Israël een lus om zijn nek en trekt die in de jaren erna beetje bij beetje aan. In 2003 houden soldaten hem aan tijdens een identiteitscontrole in een bus op de Westbank. Voor de ogen van een groep Europese jongeren wordt hij verplicht zich uit te kleden. In 2004 reist hij voor het eerst van zijn leven naar Europa om er te spreken over de muur en de bezetting. Mohammad: “Toen lieten ze me nog gaan. Het was een hallucinerende ervaring van vrijheid”. Na de publicatie van een boek (Education under Occupation) wordt hij een veelgevraagde spreker. Deelnemen in 2007 aan het World Social Forum in Kenia lukt hem nog, maar als Mohammad in datzelfde jaar wil spreken op het US Social Forum in Atlanta krijgt hij na zijn visumaanvraag van de Amerikaanse ambassade te horen dat hij ‘om veiligheidsredenen’ het land niet in mag. Anderhalve maand houden veiligheidsdiensten zijn paspoort achter. Later dat jaar, op weg naar Spanje om er zijn boek te presenteren, houdt de Israëlische grenspolitie Mohammad aan bij Allenby Bridge. Hij krijgt het bevel zich te melden bij het hoofd van de veiligheidsdienst in zijn district op de Westbank.

 

“Ik was bang. Twee weken lang meldde ik me elke ochtend om zeven uur. Elke dag bestond uit wachten op een stoel, in een klein kamertje, tot vier uur in de namiddag. Eten kreeg je niet en als je om drinken vroeg kwamen ze twee uur later met een halfvol bekertje. Eind van de dag kwam de commandant met een korte boodschap ‘morgen terugkomen, geen tijd vandaag’. Wat stond me te wachten? Zou ik worden gearresteerd? Een andere straf krijgen? Dit dagenlange afwachten in grote onzekerheid, in een kamertje van de veiligheidsdienst, dat is op zich al een marteling. Je wordt een ding.” Maar Mohammad wacht niet af. Na twee weken gaat hij onverrichter zake terug naar Allenby Bridge, halsoverkop, in totale onzekerheid, met alleen de kleren die hij aan heeft, wat sigaretten, zijn portefeuille en zijn paspoort. Tot zijn verbazing laten ze hem door. Spaanse vrienden regelen via internet een ticket voor hem in Amman. Hij gaat naar Spanje.


Mohammad: ”Elke verplaatsing van een Palestijn in bezet gebied, in Israël of naar het buitenland is een gok. Elk checkpoint, elke grensovergang, elke militair die voorbijloopt is een risico. Je weet nooit of je erdoor komt. En als je erdoor komt, weet je nooit of je weer terug kan. Elke keer is er angst. Je begint te zweten, je hart slaat op hol, je gedachten slaan op tilt. Elke keer moet je je angst overwinnen.”

 

Wie één keer een Israëlische controlepost is gepasseerd in de Bezette Gebieden, bijvoorbeeld de bewaakte kooien van Kalandya, kan zich iets bij de woorden van Mohammad voorstellen. Duizenden Palestijnen wurmen zich er dagelijks door, op weg naar werk, school, het ziekenhuis, een begrafenis, naar de moskee. Ze worden gescand door hoogtechnologische Israëlische veiligheidsapparatuur van het merk Rapiscan. What’s in a name? Of er nu een krijsende baby door de kooi moet, een grijsaard, een hoogzwangere vrouw, een hartpatiënt of iemand met een handicap, het digitale veiligheidsdossier wordt tergend langzaam doorgenomen door grinnikende of blaffende meisjes en jongens in uniform. Korte Hebreeuwse bevelen van kauwgom kauwende meisjessoldaten achter kogelvrij glas schellen door de kooien. Microfoons om terug te spreken zijn er niet. Boven de rijen wachtenden, op het ijzeren vlechtwerk, loopt ‘het puik’ van Israëls jeugd heen en weer, met de loop van hun M16 machinegeweren naar beneden gericht, vingers aan de trekker. Wie hier doorheen moet is uren kwijt. Elke ochtend, elke avond. En dan komen hier alleen Palestijnen die mógen komen, bijvoorbeeld omdat ze in Oost-Jeruzalem wonen. De meeste Westbank Palestijnen komen niet eens in de buurt van de doorgangskooien.

 

22 september

In 2009 loopt het echt mis voor Mohammad. In juli van dat jaar wordt zijn broer gearresteerd. Geboeid wordt hij afgevoerd uit het ouderlijk huis. Hij is achttien en zou stenen hebben gegooid. In september gaat Mohammad naar Noorwegen om er te spreken met universiteiten, vakbonds- en parlementsleden en ook met de minister van Financiën. Het bezoek staat in het teken van de Boycott Divestment and Sanctions Campagn (BDS), waar organisaties in Noorwegen actief aan deelnemen. De BDS-campagne ging in 2005 van start als initiatief van zo’n 170 Palestijnse maatschappelijk organisaties. Zij riepen de internationale gemeenschap op om de politieke, militaire en economische steun aan de Israëlische bezetting en de ermee gepaard gaande inbreuken tegen het internationaal recht stop te zetten. Deze geweldloze strategie om Palestijnse rechten af te dwingen is geïnspireerd op de succesvolle campagnes tegen het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime. Mohammad: “De heenreis was geen probleem. In Noorwegen hadden ze een luchtballon omgedoopt tot een mobiele Palestijnse ambassade. Ik ging zwevend door de lucht, sprak er met veel mensen en we haalden veel pers. De Noorse overheid had net beslist alle Noorse investeringen in Elbit, één van Israëls grootste wapenproducenten, stop te zetten. Dat was een grote overwinning. Ik ging met een geweldig gevoel naar huis. Op de terugweg, bij Allenby Bridge ben ik gearresteerd. Het was 22 september. Ik wilde naar huis om een Islamitisch feest te vieren met mijn familie.”

 

Na uren wachten brengen veiligheidsdiensten Mohammad naar een kamertje waar politie zijn bagage checkt. In een andere kamer wordt hij naakt door drie militaire artsen onderzocht. Hij moet een gezondheidsverklaring tekenen, waarna de veiligheidsdienst hem laat weten dat hij is gearresteerd en dat ‘ze’ op hem wachten. Mohammad: “Ik kon niet meer op mijn benen staan toen ik dat hoorde. Ik ben geboeid en in een gepantserd voertuig hebben ze me weggevoerd.”

 

“Geblinddoekt en geboeid kwam ik aan in een gebouw. Drie trappen onder de grond kwam ik in een hok terecht, mijn cel, precies zo groot als een éénpersoonsmatras. Blinddoek en handboeien gingen af. Ik zag ruwe, schurende muren, een wasbakje, een toilet en non stop oranje neonlicht. Ik kreeg gevangeniskleren en een tandenborstel. De eerste week opsluiting heeft niemand één woord tegen me gesproken, geen enkele uitleg, geen enkel contact. Eten werd geschoven door de deur. Veel later ontdekte ik dat dit het ontbijt was, en dat ze om vier uur ’s nachts brachten. In mijn hoofd ging ik als een dolle op zoek naar mogelijke antwoorden op mogelijke vragen in mogelijke ondervragingen, uren en uren en uren. Wat als mijn gevangen broertje is doorgeslagen, wat als ze me beschuldigen van activisme, wat als ze mijn ouders, wat als ze mijn organisatie, wat als dit, wat als dat?”

 

Stadia

Na acht dagen krijgt Mohammad bezoek van de Rode Halve Maan. Hij krijgt te horen hoe lang hij al vast zit en waar, namelijk in de beruchte Al Jalama gevangenis bij Haifa, in het noorden van Israël. Na die week beginnen ook de ondervragingen. Steeds weer in andere kamertjes door steeds weer andere ondervragers, elke dag van acht uur ‘s ochtends tot zes uur ‘s avonds. Bij elke verplaatsing wordt Mohammad geblinddoekt, bij elke ondervraging zit hij met handen en voeten geboeid aan een stoel. Mohammad: “Het ging in stadia. De eerste week wilden ze dingen weten over mijn familie, over werk thuis. Daarna brak de hel los. Ze vroegen naar wat ik allemaal in het buitenland had gedaan. Duizenden vragen, wie ik ontmoette, waar ik heen ging, toen en toen en toen, over de Stop the Wall demonstraties in Jayyous, over het World Social Forum in Kenia, over Noorwegen. Steeds meer vragen, en vooral steeds langere ondervragingen. Eén keer ben ik een hele week lang ondervraagd, dag en nacht, door een hele reeks ondervragers die elkaar afwisselden. Ze sloegen me, ze treiterden me, ik werd uren aan mijn ruggelings geboeide handen opgehangen, de zogeheten shabagh marteling. Tussen de behandeling door vertelden mijn ondervragers me over hun kinderen, hun vakanties, hun vrouw, hun verlangens, hun plannen voor het weekend. Eén van hen was een vrouw. Een keer begon ze me overal te strelen, terwijl ik geboeid zat. Ze vroeg me naar de laatste keer dat ik seks had gehad. Ze liep in korte rok en een strak t-shirt in rondjes om me heen. Het was afschuwelijk. Eén van mijn ondervragers was een Palestijn uit Nablus. Die heb je ook. Soms heb je de kracht om weerstand te bieden. Toen ze met Hezbollah beschuldigingen kwamen heb ik vijf dagen gezwegen. Ik weigerde in te gaan op die nonsens, ik weigerde mee te gaan in hun perverse spel. Maar soms zijn het kleine dingen die je onderuit halen en waar je je niet op kunt voorbereiden. Op een dag zag ik op de muur van mijn cel de naam van mijn kleine broer. Ik brak.”

 

Na veertig dagen, op aandringen van de Rode Halve maan, mag Mohammad zich douchen en scheren. Intussen krijgt hij om de twee weken bezoek van een advocaat en na twee weken van ondervragingen beginnen ook de militaire hoorzittingen. Elke keer vraagt de aanklager meer tijd voor onderzoek en ondervraging. Na twee maanden luidt een eerste formele aanklacht ‘het opstoken van Palestijnse jeugd’. Internationale mensenrechtenorganisaties en andere NGO’s staan intussen niet stil. Mohammads zaak brengt mensen in beweging. Amnesty International ijvert hard voor zijn onmiddellijke vrijlating. Op militaire hoorzittingen in Ofer zijn ook internationale waarnemers aanwezig. Intussen voeren ondervragers in de gevangenis de druk op. Mohammad: “Na bijna twee maanden lang steeds naar dezelfde onzinnige zaken te hebben gevraagd kwamen ze met een nieuwe piste. Ik zou contacten hebben gehad met Hezbollah. Mossad ondervragers zouden in deze zaak al jarenlang hebben samengewerkt met de veiligheidsdiensten in Kenia en Noorwegen. Ze lieten me foto’s zien van mezelf op het WSF in Kenia en Noorwegen, die door de Mossad zouden zijn gemaakt. Alles tolde in mijn hoofd. Als ik niet zou toegeven dat ik van Hezbollah was, dreigden ze me op te sluiten onder de wet op administratieve detentie. De hoorzitting waarin ze dat deden vond plaats in totale afzondering, zonder media, familie en waarnemers, alleen met mijn advocaat, een militaire rechter en een militaire aanklager. Eerst wilde ik nog liever tien jaar ‘gewone’ celstraf, dan de isolatie, de terreur en vooral de onzekerheid van administratieve detentie. Maar ik besefte ook dat hun dreiging met administratieve detentie betekende dat ze geen enkel bewijs tegen me konden vinden. Na twee dagen legde ik me neer bij administratieve detentie.”

 

Op aandringen van de advocaat gaat de straf in met terugwerkende kracht vanaf de dag van de arrestatie. In een zaak voor het Israëlische Hooggerechtshof krijgt de advocaat ook voor elkaar dat de geheime aanklacht (het onderhouden van banden met Hezbollah) openbaar wordt gemaakt. Tien dagen voor het einde van de eerste administratieve detentieperiode wordt deze verlengd. Na negentig dagen eenzame opsluiting en ondervraging in Al Jalami, komt Mohammad terecht in een gevangenis in de Negev woestijn in Zuid-Israël. Zijn advocaat krijgt hij daar niet te zien. “Ik zat er met 120 andere Palestijnse jongeren. Maar omdat elk van hen een informant kon zijn zonderde ik me zoveel mogelijk af.”
Op een volgende militaire zitting in Ofer gebeurt er iets onverwachts. In het voorbijgaan ziet Mohammad zijn collega Jamal Juma, hij wordt geboeid voorgeleid en zit blijkbaar al weken vast. Het brengt Mohammad van zijn stuk. Beiden worden die dag kort na elkaar bij gebrek aan bewijs vrijgesproken. Mohammad: “Ik wist helemaal niets van Jamals arrestatie. En die vrijspraak verraste me totaal. Het was de eerste keer dat iemand voortijdig uit administratieve detentie werd vrijgelaten. Achteraf hoorde ik pas van de internationale druk die al weken werd uitgeoefend. Zonder die acties zat ik vandaag nog vast. Toen de man van de veiligheidsdienst me de ondertekende beschikking overhandigde, kneep hij mijn hand fijn en fluisterde me toe dat ik de volgende keer niet zou vrijkomen.” Maar vrij was Mohammad nog niet. Veiligheidsdiensten houden hem nog een paar dagen vast. Ze zouden geen kopie hebben gekregen van de beschikking. Bovendien krijgt hij te horen dat er een nieuwe zaak tegen hem is gestart, die hem minstens vijf jaar cel zou kosten, tenzij zijn ouders onmiddellijk 10.000 shekel betalen. Mohammad: “Ik mocht niet eens bellen naar mijn ouders. Ik werd gek. Alle medegevangenen zeiden me dat ik die vijf jaar opsluiting moest accepteren. ‘s Nachts legde ik me neer bij dat vooruitzicht.”

 

Twee minuten

De volgende nacht gebeurt het dan toch. Er worden foto’s van hem genomen, Mohammad krijgt zijn laptop en iPod terug, hij wordt geboeid weggevoerd in een geblindeerd voertuig. Bij Kalandya checkpoint, tussen Oost-Jeruzalem en de Westbank, gaan zijn boeien af. Mohammad: ”Het ging ontzettend snel. Ze zeiden ‘je hebt twee minuten voor we je weer arresteren’. Ik heb nooit zo hard gerend als toen. Achter de hekken van Kalandya stonden mijn broers en een paar vrienden. Mijn advocaat had hen op de hoogte gebracht van de vrijlating. We hebben gehuild.”


Die nacht slaapt Mohammad bij zijn ouders. Twee weken eerder was zijn broertje Hassan vrijgelaten. Zijn vader had al veel langer hartproblemen, maar nu ziet Mohammad dat ook de gezondheid van zijn moeder sterk achteruit is gegaan in de maanden die hij in detentie had doorgebracht. Ze is verzwakt, blij en verdrietig. Haar twee jongens zijn teruggekeerd uit de gruwel van Al Jalami. De bezetter heeft hen uitgebraakt. En ze leven nog.

 

Maar wat is vrijheid in bezet gebied? Mohammad, vijf maanden na zijn vrijlating: “De veiligheidsdienst heeft al mijn computerbestanden en mails gekopieerd en gelezen. Ze kennen alle mensen uit mijn netwerk. Als ik hen spreek, benader of mail kan ik hen in gevaar brengen. Elke verplaatsing langs een militaire grens, de muur of een mobiele controlepost duurt nu nog langer omdat ik een gevangenisverleden heb. Ik vertrouw niets of niemand meer. In Jayyous mag ik het land van mijn vader niet bewerken. Tussen de kantoormuren hou ik het amper uit, ik weet zeker dat we daar afgeluisterd worden. De pijn die ik voel kan ik niet meer omzetten in woede of daadkracht, alleen maar in verdriet en achterdocht. Ik kan er met niemand over praten hier. Omdat elke Palestijn eenzelfde verhaal heeft en omdat mannen hier gewoon niet over hun gevoelens en hun pijn mogen en kunnen praten. Ik heb geen eigen plek waar ik mezelf kan zijn. Ik ben twee Mohammads geworden, één van binnen die voorgoed de weg kwijt is en één die hier voor je zit en die leeg is. De bezetting zit in mij. Ik weet dat de Israëli’s die mij hebben gemarteld en ondervraagd mij nog steeds volgen. Ik weet wat er door hun hoofd gaat. Ze denken ‘we zijn gevloerd door die vervloekte buitenlanders die het opnamen voor Mohammad Othman, maar we hebben hem intussen wel kunnen kraken. En de volgende keer maken we het werkje af.’ En ik weet dat de Palestijnse politie hier in Ramallah samenwerkt met Israël, zeker als het gaat om zogezegde veiligheidsdossiers als de mijne.”

 

“Intussen ga ik door, hoe angstig en verloren ik me ook voel. Hoe minuscuul mijn vrijheid ook is. Ik wil me nog meer bezighouden met de internationale lobby en communicatie van onze organisatie. En ik wil misschien een boek schrijven over mijn detentie. Ik wil schendingen en onrecht blijven vastleggen, aankaarten en aanvechten. Ik wil blijven reizen, blijven ontmoeten, blijven ademen. En deze zomer organiseer ik een internationaal jongerenkamp in Ni’ilin. Hoe klein de Westbank ook is, jongeren uit het noorden en het zuiden kunnen elkaar amper ontmoeten door de wegversperringen, de armoede en de angst. Of ze zitten in de bak. Maar deze zomer doen we alles om hen samen te brengen. Zodat ze kunnen horen hoe het leven is, twintig, dertig, honderd kilometer verderop. En duizenden kilometers verderop, want er zullen jongeren bij zijn uit Europa. Israël ontzegt ons het recht op verplaatsing, op samenkomst, op onderwijs, op onze eigen grond, op ons verleden, op een leven als mens. Dus komen wij samen, reizen wij, vechten wij voor onze grond en herinneren ons verleden. Wie zich niet verzet tegen de bezetting, doodt de mens in zichzelf nog voordat Israël het heeft gedaan.”

 

“Mensen in Nederland wil ik graag twee dingen zeggen. Geloof niet alles wat je te horen en te zien krijgt over Israël of over Palestina. Kom zelf kijken en luisteren. Kom als waarnemer naar militaire hoorzittingen. Leer de waarheid kennen achter de muur. Kom ons helpen om die waarheid te dragen. En steun waar je kunt in eigen land geweldloze publieke campagnes die Israël bewegen tot het respecteren van mensenrechten, het nakomen van internationale verdragen en het bestrijden van onrecht.”