Human Rights Defenders

 

“Ik weiger te worden behandeld als een buitenaards wezen”

Hassan Jabareen, Palestijnse mensenrechtenverdediger in Israël

 

Al jaren verbiedt het Israëlische gevangeniswezen gevangenen die om ‘veiligheidsredenen’ vastzitten elk fysiek contact met gezinsleden. Die groep ‘veiligheidsgevangen’ in Israël bestaat nagenoeg uitsluitend uit Palestijnen, voornamelijk uit de Bezette Gebieden. Zij zien hun kinderen ouder worden achter glas, om de twee maanden een kwartier. Hassan Jabareen komt op voor hun rechten.


Hoe staatsgevaarlijk is een vijfjarig meisje dat haar gedetineerde vader na maanden afwezigheid wil knuffelen? Bijzonder staatsgevaarlijk, als het aan Israëlische veiligheidsdiensten ligt. En wat riskeert een Israëlische mensenrechtenorganisatie die opkomt voor het recht van Palestijnse gevangenen en hun kinderen om elkaar een paar minuten te mogen aanraken? Heksenjachten in de krant en op het internet, een organisatieverbod, medewerkers die in de bak belanden.


Het Israëlische gevangeniswezen (IPS) verbiedt al jaren gevangenen die om ‘veiligheidsredenen’ vastzitten elk fysiek contact met gezinsleden. Dit verbod schendt fundamentele rechten van zowel gevangenen als kinderen. Zes jaar lang heeft rechtshulpcentrum en mensenrechtenorganisatie Adalah juridisch de strijd aangebonden met het IPS tegen dit verbod, tot aan het Israëlische Hooggerechtshof. Met gedeeltelijk succes, want per 1 augustus 2010 mogen kinderen onder de acht jaar in principe om de twee maanden een paar minuten doorbrengen in ‘direct contact’ met hun gedetineerde vader of moeder. Meer dan zesduizend gezinnen kijken uit naar deze minuten. In een rechtssysteem waarin mensenrechten het vaak moeten afleggen tegen veiligheidsargumenten is de uitspraak een grote overwinning.


Zes jaar strijd voor het recht op een minuutje knuffelen, het typeert de felheid van mensenrechtenorganisatie Adalah (‘sociale rechtvaardigheid’ in het Arabisch). En het zegt iets over de positie van Palestijnen in Israël. Naast de naar schatting tienduizend politieke gevangenen uit de Bezette Gebieden in Israëlische gevangenissen, zijn dat 1,2 miljoen Palestijnse burgers in Israël, nazaten van de uitgedunde Palestijnse gemeenschap die na de oorlog van 1947-1948 bleef wonen op geboortegrond.


Adalah komt op voor hun rechten. Aan cliënten heeft Adalah geen gebrek. Hassan Jabareen en zijn advocaten verzuipen in het werk. Ze springen in de bres voor de peuter die haar vader wil omhelzen in de gevangenis, de restauranthouder in Haifa die zijn vergunning als uitbater dreigt te verliezen omdat hij weigert soldaten in uniform te bedienen, de gerenommeerde schrijver die niet naar Beirut mag om een literaire prijs in ontvangst te nemen. Andere cliënten? Neem Mohammed Barakeh, lid van de Knesset die wordt aangeklaagd op basis van geheime informatie. Of het joodse koppel dat voor het Hooggerechtshof moet verschijnen omdat het een kamer verhuurt aan een Palestijnse familie in een joodse woongemeenschap. Of mensenrechtenactivist Ameer Makhoul die in geïsoleerde detentie zit wegens ‘hoogverraad’, ook weer op basis van ‘geheime informatie’. Het zijn lukraak enkele zaken uit de maand april 2010. De lijst cliënten waar Adalah al dan niet pro deo voor optreedt is eindeloos, maar nog niet zo lang als de lijst met zinvolle zaken die ze uit gebrek aan middelen, mensen en tijd moet laten schieten. Volgens Hassan Jabareen, oprichter van Adalah, is mensenrechtenwerk in Israël vechten tegen de bierkaai. “Onrecht, discriminatie en de schending van mensenrechten zijn geen incidenten in dit land, ze hebben een institutioneel karakter, ze zitten ingebakken in het wezen van deze staat.”


Democratie?

Hassan Jabareen, vooraanstaand mensenrechtenadvocaat, World Fellow van Yale University en door het Israëlische dagblad Globes uitgeroepen tot top tien pleiter in Israël, omschrijft de positie van Palestijnen in de staat Israël als nog minder dan die van een immigrant. “Discriminatie van Palestijnen is verankerd in de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring, in de joodse wet op de terugkeer, in de basiswetten van het land en in de rechtsspraak. Israël definieert zichzelf als een staat voor joodse burgers, waarin Arabieren of Palestijnen als groep geen gelijke historische, politieke of culturele rechten hebben. Ik heb totaal geen moeite met het erkennen van het recht van joodse Israëli’s op zelfbeschikking, op hun taal, op een staat, een vlag, op eigen joodse feestdagen. Maar ik eis gelijke behandeling. Ik ben een burger en eis dezelfde burgerrechten op als elke joodse inwoner.

 

Ik weiger te worden behandeld als een tweederangsburger, als immigrant in mijn geboorteland, als een gevaar voor de veiligheid of als een buitenaards wezen. Vooral weiger ik te worden gezien als vijand in mijn eigen land, want dat is hoe steeds meer joodse Israëli’s hun Palestijnse medeburgers zien en behandelen. Zolang er geen fundamentele gelijkheid is tussen Joden en Arabieren in Israël kun je onmogelijk volhouden dat Israël een democratie is. Het is een staat in oorlog, ook intern. En in tijden van oorlog wijkt democratie voor de macht van de staat.”

 

De Israëlische onafhankelijkheidsoorlog woedde ruim zestig jaar geleden. Ook de noodtoestand die Israël erna, tot ver in de jaren zestig, afkondigde over de Palestijnse bevolking is verleden tijd. “Het bezettingsgeweld zoals de mensen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem die nu meemaken, beleefden de Palestijnen in Israël in de jaren 1940, 1950 en 1960”, zegt Hassan. “Toch leven ook wij in Israël na zestig jaar nog steeds in een oorlogssituatie. Politie en leger kunnen naar eigen goeddunken handelen, zonder dat hun daden onafhankelijk kunnen worden getoetst. Die carte blanche van het leger, ook om het vuur te openen op burgers, maakt dat er feitelijk sprake is van een oorlogstoestand. In de jaren veertig en vijftig werden Palestijnse boeren op een rij gezet en geëxecuteerd omdat ze hun land bewerkten en de avondklok negeerden, zonder dat er serieus gerechtelijk onderzoek werd ingesteld naar dergelijke bloedbaden. Maar nog steeds doden leger en politie straffeloos burgers. In oktober 2000 schoot de politie dertien Palestijnse burgers dood in Israël tijdens een vreedzame demonstratie. In naam van de nabestaanden heeft Adalah toen geëist dat er een onderzoekscommissie zou komen. Die is er gekomen. In een lijvig rapport van 2003 stelt zij de politie aansprakelijk voor de doden en gewonden en eist strafrechtelijke vervolging. Tot op de dag van vandaag is dat niet gebeurd. Er zijn tal van zulke voorbeelden die erop wijzen dat Israël op voet van oorlog leeft, niet alleen met buurlanden, maar ook met de Palestijnen in Israël zelf, met haar eigen burgers.”

 

Het onderzoeksrapport naar aanleiding van de oktoberdoden, grotendeels het resultaat van Jabareens inzet, wordt beschouwd als het eerste Israëlische juridische document dat stelselmatige discriminatie tegen Arabische burgers in Israël onweerlegbaar aantoont. En ook al gaan de plegers van de oktoberdoden nog steeds vrijuit, toch geeft deze zaak goed aan dat Jabareen en zijn advocatenteam wel degelijk een verschil kunnen maken. In honderden grote en kleine zaken leggen zij beetje bij beetje een juridisch fundament voor gelijke behandeling van Palestijnse en joodse burgers in Israël. Het is het fundament van om het even welke staat die een democratie wil zijn voor al haar burgers.

 

Toverwoord

In al zijn uitlatingen onderstreept Jabareen het ondemocratische karakter van de staat Israël. “Palestijnen vormen 20% van de bevolking, maar minder dan 6% van het overheidspersoneel is Palestijns en in ministeries zitten al helemaal geen Palestijnen. Stel je voor dat de VS geen Afro-Amerikanen in overheidsdienst zou hebben. Ander voorbeeld: Arabische dorpen en gemeenten in Israël krijgen geen vergunning om uit te breiden. Joods-Israëlische gemeenten om hen heen groeien gestaag in oppervlakte, zelf kunnen ze geen vierkante meter uitbreiden terwijl ze demografisch uit hun voegen barsten. In Nazareth bijvoorbeeld, een oude Palestijnse stad in Israël, leven zestigduizend inwoners op veertigduizend dunums land (een dunum is ongeveer duizend vierkante meter). In Nazareth Ilit, de joodse ontwikkelingsstad die in de jaren vijftig pal naast Nazareth werd gebouwd, leven veertigduizend mensen op zestigduizend dunum land. Land dat oorspronkelijk hoorde bij de Arabische agglomeratie. Nog een voorbeeld. Er zijn tientallen zogenaamde ‘niet erkende’ Palestijnse dorpen in Israël. Ze bestaan al honderden jaren, maar formeel hebben ze geen naam, staan niet op de kaart, krijgen geen toegang tot het landelijke elektriciteitsnet en tot drinkwatervoorzieningen. De overheid bestempelt het land waarin deze dorpen zich bevinden als ‘landbouwgrond’. Die gemeenschappen, veelal in het noorden en in de zuidelijke Negev woestijn, zijn administratief uitgewist. De bewoners zijn illegalen geworden, rechtelozen in hun eigen dorp. Sterker nog, ze bestaan formeel niet eens. Evacuatie van bewoners, afbraak van woningen en gebouwen, in beslag nemen van vee, de wet laat het allemaal toe. Deze mensen zijn als wind voor de staat Israël, ze hebben geen rechten, staan nergens ingeschreven, bestaan niet. Het gaat hier om dezelfde politiek van verdrijving als in Oost-Jeruzalem. Ook daar worden mensen die al generaties op dezelfde plek wonen plotseling gezien als tijdelijke gasten, zonder verblijfsrecht. Nog een voorbeeld. De wet verbiedt een Palestijn in Israël om samen te wonen met een partner of echtgenoot uit de Westelijke Jordaanoever, Gaza, Libanon, Iran, Irak of Syrië. Dat gaat ver, zeker als je bedenkt dat de meeste Palestijnen in ballingschap leven in precies die landen en gebieden. Stel ik word verliefd op een Palestijnse uit de VS met een Libanese achtergrond. Ook dan is samenwonen in Israël verboden.

 

Of ik word verliefd op een Palestijnse uit Jordanië. Zij mag in principe wel overkomen, maar alleen als ze een ‘zuiver’ veiligheidsdossier heeft: zo mag niemand in haar omgeving of uit haar familie ooit zijn gearresteerd, ook mogen haar vader of broers nooit in het Jordaanse leger hebben gediend. Maar Palestijnse families leven versplinterd en verspreid over Israël, de bezette Palestijnse Gebieden, de Arabische buurlanden, Europa en de VS. En vrijwel elke familie heeft wel een neef, broer, oom of zoon die politiek gevangene is of is geweest. Dus ook samenwonen met mijn mogelijke Jordaanse liefde kan de wet probleemloos verbieden. En stel dat we ooit groen licht zouden krijgen, dan zit je met een procedure die jaren sleept en waar je je blauw aan betaalt. Kortom, Israëlische veiligheidsvoorschriften kunnen Palestijnen niet verbieden om verliefd te worden, maar ze maken het liefdes- en familieleven tot een hel en hebben zelfs greep op wat er zich afspeelt in Palestijnse slaapkamers.”

 

‘Veiligheid’, het is het grote toverwoord van Israël, vindt Jabareen. “Om veiligheidsredenen verliezen boeren hun land, bewoners hun huis, jonge mannen hun vrijheid, families hun kansen op een normaal gezinsleven en Palestijnen als bevolkingsgroep hun politieke rechten. Israël koppelt veiligheid aan etniciteit. Dat is discriminatie in het kwadraat, een echte killer. ‘Ik haat jou omdat je een gevaar bent, en je bent een gevaar omdat je Palestijn bent’, dat is de demonische logica waar we tegen opboksen.”

 

Slijk

Ook Adalah zelf moet voortdurend op haar hoede zijn. Invloedrijke rechtse lobbygroepen als Im Tirtzu en het Center for Near East Policy Research brandmerken Adalah als staatsvijandige organisatie. In Inside Adalah, het rapport van een organisatiedoorlichting die undercover is uitgevoerd, zet het Center for Near East Policies Jabareens organisatie neer als ‘rabiaat’, ‘radicaal’ en ‘banden onderhoudend met de vijand’. Ook Adalahs deelname aan de VN Wereldconferentie tegen Racisme in Durban (2001) en de herdenking van Palestijnse slachtoffers van de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog (de Nakba) bestempelt het nauw met de overheid samenwerkende onderzoeksinstituut als ontoelaatbaar en staatsgevaarlijk. Dit soort campagnes criminaliseert Jabareens werk en zet internationale donororganisaties onder druk om de financieringsrelatie met Adalah stop te zetten. Ook in de media worden haatcampagnes gevoerd tegen Adalah, dat onder leiding van Jabareen nota bene lid is geworden van de Economische en Sociale raad van de Verenigde Naties (ECOSOC). En het haatklimaat in Israël neemt alleen maar toe. Inmiddels is de druk zo groot dat Jabareen publiekelijk en internationaal alarm slaat en om hulp vraagt. Op billboards in Tel Aviv en Jeruzalem, in bannercampagnes op het internet en op Facebook heeft de rechtsradicale zionistische beweging Im Tirtzu twee organisaties door het slijk gehaald, Adalah en het New Israel Fund (NIF), een donororganisatie van progressieve Israëli’s die net als Jabareen streven naar de volledige rechtsgelijkheid van alle burgers in Israël, met vestigingen in onder andere Israël en Washington. ‘Arresteer Adalah…voor de toekomst van onze Israëlische kinderen’, ‘wij volgen (het leger), zij vervolgen’, ‘Weg met NIF en Adalah subversievelingen’, het zijn maar een paar van de slogans van Im Tirtzu. Ook prominente journalisten en Knesset-leden verkondigen dat Adalah een veiligheidsgevaar vormt voor de staat. De haatmails en dreigtelefoontjes stromen binnen bij Hassan Jabareen en zijn collega’s. In een land waar duizenden Palestijnen om ‘veiligheidsredenen‘ worden gedetineerd, gemarteld of beschoten, brengt dit soort campagnes niet alleen het voortbestaan van Adalah als mensenrechtenorganisatie in gevaar, maar het bestaan van haar medewerkers tout court.

 

Onderzoek

Jabareen: “Van de ene op de andere dag kan de minister van Defensie ons een verbod opleggen op basis van geheime informatie. Net zoals de politie mij elk moment van de dag zou kunnen oppakken op basis van geheime informatie, dat heet dan ‘administratieve detentie’. Of ze kunnen me het land uitzetten en het terugkeerverbod elke zes maanden verlengen, ook weer op basis van geheime veiligheidsinformatie. En daar dreigen ze ook mee bij zowat elke rechtszaak die wij verdedigen. Of ze kondigen aan je organisatie te gaan ‘onderzoeken’. Zoals in 2001, toen de overheid Adalah heeft doorgelicht. Negen op de tien keer eindigt zo’n ‘onderzoek’ van een Arabische organisatie met een verbod. De organisatie wordt opgedoekt. Het waren dan ook drie jaren van angst, drie jaar procederen, drie jaar in het buitenland steun zoeken onder maatschappelijke organisaties, in de media. Drie jaar mensen over de vloer krijgen die elke map doorspitten en aan de haal gaan met vertrouwelijke informatie van al je klanten. Wij zijn een mensenrechtenorganisatie. De hele operatie zelf was een grove schending van onze rechten als organisatie en van de mensen die een beroep doen op onze rechtshulp. Naast het feit dat het ons veel geld en tijd heeft gekost en ons personeel er zowat aan onderdoor ging van angst en stress.

 

Pas na drie jaar, onder internationale druk, heeft de overheid haar ‘onderzoek’ stopgezet omdat er ‘geen aanleidingen’ meer waren. In extreem gespannen situaties als deze is tussenkomst van internationale buitenstaanders van groot belang. Ons voortbestaan hing ervan af. En dat blijft zo, want elke dag opnieuw hangen arrestatie, verbod en uitzetting ons boven het hoofd.”

 

Hassan Jabareen, Palestijnse burger in Israël, leeft al zijn leven lang met een zwaard van Damocles boven het hoofd. Als snotneus van zeventien is deze internationaal geroemde mensenrechtenverdediger en advocaat al eens opgepakt in zijn geboortedorp Umm Al-Fahm. Vijftien dagen zat hij vast zonder vorm van proces. En ook al heeft Jabareen zich de dertig jaar die daarop volgden met succes ingezet voor de rechtsgelijkheid van Palestijnen en Joden in Israël, de kans dat hij op een goede nacht weer bezoek krijgt van een tot de tanden gewapend arrestatieteam is nog steeds even groot.