5 november 2012

 

Discriminatie Palestijnse jeugd onaanvaardbaar

 

In de bezette Westelijke Jordaanoever passen de Israëlische militaire autoriteiten twee juridische systemen toe. Welk systeem geldt, is afhankelijk van het feit of de verdachte een Palestijn is of een Israëliër die in een illegale nederzetting woont. Voor Palestijnen, onder wie kinderen, is een harde militaire wettelijke regeling van toepassing. Voor de kolonist worden dezelfde burgerlijke wetten gebruikt die ook van toepassing zijn op inwoners van Tel Aviv, met alle waarborgen en bescherming die we daarvan verwachten. Geen enkele staat heeft het recht om onderscheid te maken tussen degenen over wie strafrechtelijke rechtsmacht wordt uitgeoefend op grond van hun ras of nationaliteit. Het internationaal recht is daar duidelijk over. Dit is echter precies wat er sinds 45 jaar gebeurt op de Westelijke Jordaanoever.

 

Stelt u zich twee jongens voor die stenen naar elkaar gooien op de Westelijke Jordaanoever. Een van de jongens is Palestijns, de andere is een kind van Israëlische kolonisten. Hoe zal de wet deze twee kinderen, die beschuldigd worden van dezelfde overtreding, behandelen? De jonge kolonist zal worden opgeroepen voor een ondervraging overdag bij het dichtstbijzijnde politiebureau. Hij zal een advocaat spreken voordat hij wordt ondervraagd. Een van de ouders van de jongen zal bij zijn ondervraging aanwezig mogen zijn. Hij zal binnen 24 uur worden voorgeleid aan een burgerrechter en heeft 80 procent kans om op borgtocht te worden vrijgelaten. Als hij wordt veroordeeld heeft hij 6,5 procent kans om naar de gevangenis te gaan.
In het geval van de Palestijnse jongen zal naar alle waarschijnlijkheid zijn huis ’s nachts worden bestormd door soldaten. Zijn handen zullen worden vastgebonden en hij zal geblinddoekt worden voordat hij wordt meegenomen. Zijn ouders wordt niet verteld waarom hij wordt gearresteerd of waarheen hij wordt weggevoerd. Hij zal geen advocaat spreken voor de ondervraging of worden gewezen op zijn recht om te zwijgen. Hij zal helemaal alleen zijn met de ondervrager, die hem waarschijnlijk fysiek en psychologisch dwingt tot een bekentenis. In bijna een derde van de gevallen zal hem documentatie geschreven in het Hebreeuws worden getoond. Dat is een taal die hij niet begrijpt en hij zal misschien gedwongen worden die verklaring te ondertekenen. Binnen vier dagen zal hij worden voorgeleid aan een militaire rechter. In 87 procent van de gevallen zal er geen borgtocht worden verleend door deze rechtbank, die een veroordelingscijfer heeft van 99,74 procent. Hij heeft bijna geen mogelijkheid een gevangenisstraf te voorkomen en zal waarschijnlijk worden vastgehouden in een gevangenis binnen Israël, wat in strijd is met de Vierde Conventie van Genève.

 

Deze situatie is zowel onhoudbaar als onaanvaardbaar. Nederland heeft de plicht om zich uit te spreken tegen wetten en praktijken die kinderen discrimineren op basis van ras, afkomst of nationaliteit.

 

Gerard Horton

 

Horton is advocaat en vertegenwoordiger bij de Palestijnse afdeling van Defence for Children International. Deze column verscheen eerder in Trouw op 27 oktober 2012